14.2
Binnensponningen; sponningbreedte en -hoogte

Alle sponningen van onder- en tussendorpels moeten naar buiten afwaterend worden uitgevoerd met een hellingshoek van ten minste 9°. De hellingshoek dient over de gehele lengte van de sponning door te lopen.

We onderscheiden de volgende soorten van binnensponningen:

  • rechthoekige sponningen voor het plaatsen van ruiten, panelen, ect;
  • sponningen met een profiel voor naar binnendraaiende ramen of deuren;
  • combinaties van sponningen met verschillende breedten en hoogten met; meerdere en wisselende vakvullingen (wisselsponningen).

Voor het plaatsen van isolatieglas moet de sponning in de dagkant van stijlen en bovendorpels ten minste 17 mm hoog zijn.

Voor bovenkanten van onder- en tussendorpels, afhankelijk van detaillering en uitvoering, moet deze tenminste 14 mm bedragen (zie tekening 14.01).

Bij (tussen)stijlen en onderkanten van boven- en tussendorpels mogen sponninglatten in combonatie met een waterkering worden aangebracht. Deze zogenaamde “lijmlatten” uitvoeren volgens tekening 14.03.

KVT Index