41
Membranen

41.1 Algemeen

Membranen komen in geveltimmerwerk voor in twee toepassingen. Als dampremmende laag aan de binnenzijde of als waterkerende, dampdoorlatende laag achter een buitenbekleding in opgebouwde vakvullingen (zie katern 21).

41.2 Dampremmende folie

Dampremmende folies moeten voldoen aan de eisen zoals vermeld in de BRL 4711 en SKH-Publicatie 03-07.

De dampremmende membraan achter een binnenbekleding moet met een dekking van ten minste 20 mm op het kozijn worden bevestigd.
Wanneer de dampremmende membraan niet in één stuk kan worden aangebracht, moet een overlapping van ten minste 100 mm worden gemaakt, waarbij beide lagen ter plaatse van een tussenregel of -stijl over elkaar worden bevestigd.

Indien het gevelelement volledig wordt samengesteld in de timmerfabriek, met de isolatie en met een plaat aan de binnenzijde, moet een membraan van kunststoffolie een dikte hebben van ten minste 100 μm (0,10 mm).

Indien het gevelelement niet volledig wordt samengesteld in de timmerfabriek, waarbij de dampremmende membraan tijdens het transport en tijdens de montage in de bouw in het zicht blijft, dan moet een membraan een dikte hebben van ten minste 150 μm (0,15 mm).

Indien de dampremmende laag tijdens de productie wordt voorzien van een bescherming door plaatmateriaal, mag de dampremmende laag tijdelijk worden bevestigd met nieten.

Indien de dampremmende laag niet wordt voorzien van een bescherming door plaatmateriaal, dan dient de dampremmende laag te worden bevestigd met een tengel, knellat of -strip.

Indien de dampremmende laag in de fabriek wordt aangebracht en pas op de bouwplaats wordt voorzien van een bescherming door plaatmateriaal, dan mag een gewapende dampremmende laag worden bevestigd met nieten. Een dampremmende laag zonder wapening moet in dat geval (tijdelijk) worden bevestigd met een tengel, knellat of -strip.

41.3 Waterkerende dampdoorlatende membranen

Waterkerende dampdoorlatende/damp-open membranen dienen te voldoen aan de eisen zoals vermeld in de BRL 4708 en dienen waterdicht te zijn tot ten minste 200 mm waterkolom, bepaald overeenkomstig methode A van NEN-EN 1928. De beproevingsmethode mag zijn gemodificeerd overeenkomstig paragraaf 5.2.3 van NEN-EN 13859-1.

Indien de toepassing van het membraan volledig verticaal is, mag het membraan een waterdoorlaat hebben van ten hoogste 100 ml per 3 uur bepaald overeenkomstig NEN-EN 13111 (klasse W1).

De afstand tussen de buitenbekleding en de waterdichte, damp-open membranen of de waterkerende dampdoorlatende membranen moet ten minste 13 mm zijn.

Indien de waterkerende laag in de timmerfabriek wordt aangebracht en wordt voorzien van een bescherming, b.v. plaatmateriaal, dan mag de waterkerende laag tijdelijk worden bevestigd met nieten.

Indien de waterkerende laag niet wordt voorzien van een bescherming dan dient de waterkerende laag te worden bevestigd met een tengel, knellat of -strip.

KVT Index