40.1 Algemeen
Bij de keuze van een afdichtingsmateriaal is het zeer belangrijk dat de gekozen afdichting in de voeg tijdens de levensduur van het betreffende bouwdeel haar afdichtende functie behoudt. Hierbij moet o.a. rekening worden gehouden met:
- milieubelasting;
- duurzaamheid;
- elasticiteit;
- uitzettingscoëfficiënt van het bouwdeel in combinatie met de maximaal toelaatbare vervorming (MTV) van de afdichting;
- optredende minimale en maximale temperatuurverschillen in de voeg;
- verwachte krimp door droging of zwelling door vochtopname;
- bouwtoleranties;
- toepassingsgebied.
In de volgende paragrafen wordt uitgebreid beschreven welke afdichtingsmaterialen er zijn. Per materiaal is de belangrijkste toepassing aangegeven. De onderstaande materialen worden nader toegelicht:
- Dichtingsprofielen van TPEThermo Plastisch Elastomeer;
- Schuimbanden;
- Kitten;
- Lijm/lijmkitten;
- PUR-schuim;
- Bitumen-, butyltapes en EPDM kleefstroken (Ethyleen, Propyleen en Di Monomeer).
40.2 Dichtingsprofielen
Dichtingsprofielen in gevelelementen moeten voldoen aan de eisen zoals vermeld in de BRL 0809. Het betreft dichtingsprofielen die bij gesloten stand van de beweegbare delen de vereiste luchtdichting, waterkering, geluidwering en eventueel rook- en brandwering dienen te waarborgen. Indien met betrekking tot geluidwering hogere prestaties worden verlangd, gelden de aanwijzingen van katern 23.
Voor oplossingen voor draaiende delen, zie de katernen 13 (Kozijnen met buitensponningen) en 14 (Kozijnen met binnensponningen).
40.2.1 Uitvoeringsprincipes
Dichtings(kader)profielen dienen in gevelelementen te zijn opgenomen, geklemd in een groef in raam- of deurhout. De doorgaande en rondomlopende profielen zijn op de hoeken gelast of in verstek geknipt. Het aanbrengen dient conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier nauwkeurig uitgevoerd te worden.
Om te voorkomen dat het profiel wordt mee geschilderd, wordt het veelal voorzien van een afneembare folie. Deze dient na het schilderen en voor de oplevering van de woning verwijderd te worden.
40.2.2 Aanbrengen/bevestigen van de dichtingsprofielen
Om de vereiste dichting te realiseren, dienen de dichtingsprofielen in de timmerfabriek te worden aangebracht. Het aanbrengen dient conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier nauwkeurig uitgevoerd te worden.
40.3 Schuimbanden
Schuimbanden dienen te voldoen aan de eisen zoals vermeld in BRL 2802.
De breedte/dikte van de voeg dient te zijn afgestemd op de toleranties en de te verwachten thermische en hygroscopische bewegingen van de aansluitende delen.
Er worden drie typen schuimband onderscheiden:
- open cellig (A);
- semi-gesloten cellig (B); en
- gesloten cellig (C).
40.3.1 Open cellige schuimbanden (A)
Open cellige schuimbanden hebben een volledig open (honingraat) celstructuur, dit houdt in dat daar als basis geen luchtdichtende eigenschappen aan toegekend kunnen worden. Bij voorgecomprimeerde compressiebanden worden door compressie, in combinatie met de impregnering, luchtdichte, slagregendichte en UV-bestendige eigenschappen toegevoegd.
Opmerking:
Door de steeds strenger wordende eisen op het gebied van luchtdichtheid, is het raadzaam om na te gaan bij de desbetreffende fabrikant of dit soort open cellige banden wel geschikt zijn voor luchtdichting. In principe zijn ze bedoeld voor slagregendichting en niet voor luchtdichting vanwege het feit dat alleen bij een juiste comprimering enige luchtdichting bereikt wordt.
40.3.2 Semi-gesloten cellige schuimbanden (B)
Semi-gesloten cellige schuimbanden hebben een dusdanig fijne celstructuur dat met weinig compressie de celstructuur "dichtgedrukt" wordt waardoor een "gesloten cellige" structuur ontstaat. Deze schuimbanden zijn herkenbaar door het vaak trage herstelvermogen en bieden een voelbare weerstand bij het indrukken. Deze schuimbanden zijn dan ook zeer geschikt voor prefab toepassingen in houtskeletbouw, betoncasco en andere prefab disciplines.
40.3.3 Gesloten cellige schuimbanden (C)
Gesloten cellige schuimbanden kenmerken zich door hun stugge karakter. Deze schuimbanden bieden veel weerstand bij het indrukken. Als er dan met veel kracht doorgedrukt wordt, kan de celstructuur kapot gaan, waardoor de band zijn herstelvermogen verliest.
40.3.4 Overige toepassingen schuimbanden
Naast schuimbanden op rollen, worden er ook veel producten voor regen en/of luchtdichting op maat gemaakt voor diverse toepassingen. Denk hierbij aan pakkingen in de aansluiting tussen de neut van de laag reliëfdorpel en de onderzijde van de kozijnstijl. Afhankelijk van de toepassing en de eisen, worden deze producten uitgevoerd in open cellige, semi-gesloten cellige of gesloten cellige schuimsoorten.
40.3.5 Keuze type schuimband
De keuze van het type schuimband dient te worden bepaald aan de hand van de in NEN 3413 opgenomen eisen. Voorts dient rekening te worden gehouden met de aangegeven eigenschappen en toepassingsmogelijkheden (MTV = Maximaal Toelaatbare Vervorming).
Tabel 1: Overzicht schuimbandgroepen
| Schuimbandgroep | S7,5 | S12,5 | S25 |
| Celstructuur | Gesloten | Semi-gesloten | Open |
| Maximaal Toelaatbare Vervorming (MTV) |
7,5% | 12,5% | 25% |
| Materialen | PE, PVC, CR, EPTa | PVC, PUR (1) | Geïmpregneerdeb PUR (in voorgecomprimeerde vorm ook wel "zwelband" genoemd) |
| Voegwanden | Vlak, evenwijdig | Vlak, evenwijdig/verlopend Oneffen, evenwijdig |
Vlak, evenwijdig/verlopend Oneffen, evenwijdig/verlopend |
| Soort voeg | Aansluitvoeg | Aansluitvoeg | Aansluitvoeg Bestaande/aanwezige voeg |
| Compressiefactorc | 1,1 tot 1,3 | 1,1 tot 1,5 | 2 tot 5 |
a. PE = polyethyleen, CR = celrubber (chloropreen), PVC = polyvinylchloride , EPT = celrubber ethyleenpropyleenterpolymeer, PUR = polyurethaan zachtschuim
b. Niet in aanmerking komen met bitumen geïmpregneerde schuimbanden vanwege migratie (doorbloeding) en mogelijke verkleuring van aansluitend geverfde onderdelen.
c. Compressiefactor: voegbreedte maal de factor is de banddikte die nodig is om als regendichting te kunnen functioneren. Fabrikanten en leveranciers gebruiken nu een bestelcode waarin de bandbreedte (voegdiepte) en de voegbreedte vastgelegd is.
Schuimbanden
40.3.6 Afmetingen van de schuimbanden
De breedte van de voeg dient te zijn afgestemd op de toleranties en de te verwachten thermische en hygrische bewegingen van de aansluitende delen.
Voorbeeld: 20/8 (6 tot 10 mm)
- Het getal 20 is de breedte van de band in mm, zelfklevende zijde en voegdiepte;
- Het getal 8 is het voegbreedtebereik in mm. Rekening houdend met de thermische belastingen kan de voeg variëren tussen 6 en 10 mm waarbij de band zijn voegdichtende functie behoudt en aan de eisen voldoet.
De breedte van de schuimbanden (voegdiepte) is afhankelijk van het woongebied en de hoogte van het gebouw (NEN 6702).
40.4 Kitten
Kitten dienen te voldoen aan de eisen zoals vermeld in BRL 2801 en BRL 2803. De breedte/dikte van de voeg dient te zijn afgestemd op de toleranties en de te verwachten thermische en hygrische bewegingen van de aansluitende delen.
Kitten met een vervorming van 12,5% worden uitsluitend voor constructies gebruikt. De kitklassen 20 en 25 zijn elastische kitten, waarbij genoemde percentages betrekking hebben op de duurzaam toelaatbare beweging ten opzichte van de voegbreedtes. Voor overige toepassingen in gevelelementen dienen kitten van ten minste klasse G12,5 te zijn (dichting onder aluminium aanslagprofiel, slijtprofielen e.d.). G= Beglazinskit.
In de NEN-EN-ISO 11600 wordt onderscheid gemaakt in een aantal typen kit.
| Klasse 7,5 | Een kittype met een duurzaam plastisch (niet-terugverend) karakter. |
|---|---|
| Klasse 12,5 | Een kittype dat in de praktijk, tijdens de voorziene levensduur van 10 jaar, een duurzame vervorming van 12,5% kan ondergaan. |
| Klasse 20 | Een kittype dat in de praktijk, tijdens de voorziene levensduur van 10 jaar, een duurzame vervorming van 20% kan ondergaan. |
| Klasse 25 | Een kittype dat in de praktijk, tijdens de voorziene levensduur van 10 jaar, een duurzame vervorming, van 25% kan ondergaan. |
Tabel 2: Classificatie kitten volgens NEN-EN-ISO 11600.
40.4.1 Ontwerp van een voeg
Het ontwerp van een voeg is afhankelijk van:
- het soort materiaal van de voegvormende elementen;
- de te verwachten temperatuurvariatie;
- de te verwachten maatverandering (lineaire uitzetting);
- de maximale toleranties voor maatafwijking;
- de lengte (afmeting) van de bouwdelen;
- de wijze van de bevestiging;
- de voegafmeting en voegvorm;
- het vervormingsvermogen van het afdichtingsmateriaal (kitkeuze).
40.4.2 Verhouding voegbreedte-voegdiepte
Aan de hand van de voegbreedte en het gekozen type afdichtingsmateriaal wordt de bijbehorende voegdiepte berekend. De voegbreedte is ongeveer 2 x de voegdiepte.
40.4.3 Uitvoeringseisen
Een goede kitvoeg kan alleen worden verkregen indien voldoende ruimte voor het inbrengen van de kit beschikbaar is. De afmetingen van de kitvoeg dienen zorgvuldig te worden vastgesteld in samenhang met de toe te passen kitsoort. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:
- de voegbreedte dient ten minste 4 mm breed te zijn;
- de voegwanden dienen evenwijdig aan elkaar te zijn;
- kitvoegen moeten dusdanig worden ontworpen en aangebracht dat water niet op het bovenvlak van de voeg kan blijven staan;
- de kit dient een goede en blijvende hechting te hebben op de voegwanden. Poreuze zuigende ondergronden voorbehandelen met primer;
- kit dient op een rugvulling te worden aangebracht. Als rugvulling voor beglazingskit dient gebruik te worden gemaakt van PE-schuimband uit schuimbandgroep S7,5 en een volumieke massa van ten minste 35 kg/m³ (zie katern 12);
- als rugvullingen voor voegen met kittoepassingen wordt open- of gesloten cellig rondsnoer klemmend en op de juiste diepte in de voeg toegepast.
40.4.4 Verdraagzaamheid van kit op glas
De beglazingskit van glas-neuslat/glas en de (butyl)kit van spouw/isolatieglas dienen met elkaar verenigbaar te zijn. Daarnaast kan het probleem van verdraagzaamheid zich voordoen bij een direct contact tussen beglazingskit en gelaagd glas.
40.4.5 Verdraagzaamheid van kit op geschilderde ondergronden/verf over de kitvoegen
Kitten zijn meestal goed UV- en verouderingsbestendig en hebben geen bescherming nodig door middel van verf. Het gebruik van overschilderbare kit is geen vereiste voor het correct plaatsen van het glas. Overschilderbaarheid van kit heeft een groot esthetisch risico omdat door het verschil in elastische eigenschappen tussen kit en de verf de laatste snel kan barsten. Hierdoor kan er een verhoogde vochtbelasting op de kit optreden die tot vermindering van de levensduur leidt.
Kitten die ‘overschilderbaar’ zijn en verf kunnen verdragen, mogen alleen bij statische voegen met een geringe beweging (maximaal 5%) worden overgeschilderd. Vanwege verschillen in de elasticiteit van de kit en verf is het raadzaam voegen met meer dan 5% beweging maximaal over een breedte van 1 mm over te schilderen.
40.5 Schuim
40.5.1 PUR-schuim (polyurethaanschuim)
PUR-schuimen dienen te voldoen aan de eisen zoals vermeld in BRL 1332.
PUR-schuim wordt gebruikt voor het thermisch afdichten van statische kieren en naden/voegen tussen bouwkundige elementen.
Dit kan zijn tussen HSB elementen en de aangrenzende wanden of (mits de naad groot genoeg is) tussen kozijn en binnenspouwblad.
De hechtvlakken bij PUR-voegen bestaan uit de materialen beton, hout en houtrijke constructies, metselwerk, kalkzandsteen, betonsteen, cellenbeton, gips en gipskartonplaten. PUR-schuim is niet UV-bestendig en alleen toepasbaar bij inwendige bouwkundige aansluitingen.
40.5.2 Elastisch schuim
Elastische schuimen dienen te voldoen aan de eisen zoals vermeld in BRL 1332. Dit schuim met een maximaal toelaatbare vervorming (MTV) van minimaal 30%, (afhankelijk van de producent), is flexibel, goed af te snijden en af te werken. Dit type schuim heeft nauwelijks na-expansie (geen krimp of postexpansie) en is goed te doseren.
Elastisch PUR-schuim wordt gebruikt voor het thermisch (en onder voorwaarden luchtdicht) afdichten van niet statische kieren en naden tussen bouwkundige elementen. Afhankelijk van de producent is de maximale toelaatbare vervorming 35% (+/- 17,5%) waardoor het schuim zeer flexibel is. Het schuim is vaak goed te doseren door de geringere postexpansie, wat ook ervoor zorgt dat nauwelijks druk wordt uitgeoefend op aangrenzende bouwdelen. Hoe flexibeler het schuim, hoe meer van belang is dat het mes scherp moet zijn om het overtollig schuim te verwijderen
40.5.3 Aandachtspunten bij toepassing
Elk één component PU-schuim heeft vocht nodig om tot een goede celstructuur te komen. Houd hier rekening mee bij langdurige droge periodes. Het voorbevochtigen van de voeg met bijvoorbeeld een plantenspuit is dan aan te raden. Breng het PUR-schuim gelijkmatig aan. Vul circa 2/3 van de voegdiepte. Dit voorkomt dat er achteraf veel schuim weggesneden moet worden.
40.6 Bitumen- en, butyltapes en EPDM kleefstroken
De volgende aansluitingen/voegen kunnen luchtdicht uitgevoerd worden door deze af te plakken met tape/plakband:
- voegen tussen prefab gevelelementen;
- aansluiting kozijnen (en stelkozijnen) op het binnenspouwblad.
Door het afplakken ontstaat een aansluiting die lucht-, water- en dampdicht is.
Bitumentapes, butyltapes en EPDM kleefstroken zijn uitermate geschikt om kieren en naden duurzaam lucht- en waterdicht te maken, bv. rondom stelkozijnen. De meeste varianten zijn UV-bestendig (lees de technische databladen goed door om een juiste keuze te maken) en in het geval van EPDM hoogwaardig elastisch. In de meeste gevallen is een primer te adviseren bij poreuze ondergronden alvorens tot verkleving over te gaan.
40.6.1 Bitumenband – laminaatfolie
Bitumenband wordt toegepast ter plaatse van de aansluiting stelkozijn/spouwlat op het binnenspouwblad of de onderlinge aansluiting van betonnen binnenspouwbladen. Bitumenband is UV-bestendig en kan in een buitensituatie worden toegepast.
Onder tape of plakband wordt een zware gelamineerde PE-folie (dikte 0,05 mm) verstaan, die is voorzien van een +/-1 mm dikke laag gemodificeerd bitumen met een verwijderbare beschermfolie op de bituumlaag. Voordat het band wordt toegepast, zal bij een poreuze, zuigende of oneffen ondergrond altijd een primer moeten worden aangebracht. Deze primer moet drogen totdat hij nog iets kleverig aanvoelt en vervolgens kan het band (dat op de gewenste lengte is afgeknipt) worden aangebracht.
Bitumenband kan worden toegepast in die situaties waarin geen grote verdraagzaamheid met andere materialen (bijvoorbeeld beton) is vereist.
40.6.2 Butylband – laminaatfolie
Het toepassingsgebied van butylband is breder dan dat van bitumenband. Butylband kan worden toegepast in die situaties waarin een grote verdraagzaamheid met andere materialen (bijvoorbeeld schilderwerk, kunststoffen en folies) is vereist. Bovendien heeft butylband een hogere kleefkracht en is beter verwerkbaar. Butylband wordt naast dit toepassingsgebied ook toegepast als waterdichte laag boven kozijnen, als dichting in het buitenspouwblad en voor het verkleven van folies.
Butylband bestaat uit een +/- 0,6-1,2 mm zelfklevende plasto-elastische butylmassa met een grote kleefkracht, eenzijdig gelamineerd met een scheurvaste, UV- en weersbestendige kunststof/aluminium/loodkleurige/zwarte laminaatfolie. Butylband hecht op de meeste ondergronden zonder primer. Bij sterk zuigende of poederende ondergronden is primer altijd noodzakelijk.
40.6.3 Voorbereiding ondergrond
Bij het afplakken van een overlapping en/of aansluiting van folies op een kader moet de ondergrond draagkrachtig zijn. De hechtvlakken moeten droog, vrij van stof en oplosmiddelen zijn. Bij sterk zuigende of poederende ondergronden is het aanbrengen van een primer altijd noodzakelijk. Geadviseerd wordt ook de bandoverlap van een primer te voorzien.
40.6.4 Butyl- en bitumenprimer (hechtmiddel)
Breng bij ruwe en/of zuigende ondergronden de primer (conform de specificaties van de fabrikant) aan (er zijn dikke en dunne primers), de wachttijd is 30 tot 60 minuten, afhankelijk van de temperatuur en weersgesteldheid.
40.6.5 Aandachtspunten bij toepassing van bitumen- en butylbanden
- Zorg voor een voldoende vlakke ondergrond;
- Zorg dat het hechtvlak goed schoon en droog is;
- Kies de juiste folie/bandbreedte, zo nodig primeren;
- Rol de tapes goed aan;
- Ook hoekankers (ten behoeve van de bevestiging van kozijnen) inplakken, anders kunnen hier luchtlekken ontstaan;
- Raadpleeg de leverancier over de verdraagzaamheid met hechting op folies;
- Let op de verdraagzaamheid met ondergronden en de temperatuursbestendigheid;
- Plak dakpansgewijs af: dus 1) onderdorpel, 2) stijlen en 3) bovendorpel.
40.6.6 Wanneer afplakken?
Voor de luchtdichte aansluiting van het (stel)kozijn op het binnenspouwblad zal de keuze over het algemeen gemaakt worden tussen een PUR-voeg, tape, afplakband of laminaatfolie. Geadviseerd wordt om in ieder geval bij hogere gebouwen (gebouwen > circa 15 meter) en bij gebouwen dicht aan de kust voor "afplakken" te kiezen. Dit geeft de meeste zekerheid voor water- en luchtdichtheid. Vaak is een combinatie van een PUR-dichting (isolatie van de stelruimte) en afplakken noodzakelijk. Aanvullend dient het (stel-)kozijn aan de binnenzijde nog luchtdicht te worden afgewerkt.
40.7 Onderhoud
Beoordelingen met betrekking tot onderhoud (reparatie of vervanging) van de dichtingsmiddelen dient te geschieden aan de hand van regelmatig uit te voeren controles en door de fabrikant/leverancier aangegeven criteria.