Grondlaksystemen moeten aangebracht worden volgens de in de BRL 0801 “Houten gevelelementen” of BRL 0803 “Houten buitendeuren” opgenomen praktijkrichtlijnen voor grondlaksystemen.
In het verleden werden ook voor- en aflaksystemen aangebracht op basis van praktijkrichtlijnen, lees laagdikten. De aangebrachte laagdikte was door de opdrachtgever te contoleren. Tegenwoordig worden voor- en laksystemen aangebracht op basis van prestatie-eisen, zoals gedefinieerd in de BRL 0817. De prestatie van het laksysteem wordt bepaald door de toegepaste producten, de opbouw van het systeem en de procesomstandigheden waaronder het voor- of aflaksysteem wordt aangebracht. De laagdikte kan per laksysteem dus verschillen, waarmee het specificeren van laagdiktes in bestekteksten is komen te vervallen.
Voor voor- en aflaksystemen wordt verwezen naar een KOMO® certificaat op basis van de BRL 0817. Hierin zijn de lakopbouw, applicatieomstandigheden en (door)droogcondities voor een specifiek laksysteem opgenomen. Indien gevelelementen op basis van de in het KOMO® certificaat opgenomen voorwaarden (praktijkrichtlijn) worden afgewerkt, mag worden aangenomen dat voldaan is aan de prestaties voor de voor- en aflaksystemen.