| Benaming | Definitie |
| Aanslag | Contactoppervlak van het beweegbare deel met het omringend kader |
| Afdekking | Mechanisch bevestigd halfproduct waardoor ondergrond blijvend wordt beschermd |
| Afronding/afschuining van hoeken | Zie tekening 03.01 |
| Afwatering | Voorziening in een constructie waardoor ingedrongen water wordt afgevoerd |
| Beglazen | Het aanbrengen van ruiten van glas, inclusief de bevestigings- en afdichtingsmiddelen |
| Beluchting | Voorziening waardoor lucht in een deel van de constructie (bijvoorbeeld de sponning bij toepassing van glas) in verbinding staat met de buitenlucht |
| Bergingsdeurkozijn | Deurkozijn dat uitsluitend geschikt is voor de toepassing in een berging overeenkomstig de BRL 9021 “Houten buitenbergingen”. Voor overige bergingen zijn alle eisen in de BRL van toepassing. |
| Beweegbaar deel | Bouwkundig deel met het doel licht, lucht en/of personen door te laten |
| Bereikbaar element | Gevelelement geheel of gedeeltelijk gelegen vanaf het werkvlak wat bereikbaar is volgens NEN 5087 (Inbraakveiligheid van woningen) |
| Bouwkundig kader | Dat deel van het gebouw waarin of waartegen het kozijn aansluit |
| Concepten | De Concepten I t/m IV geven inzicht in de vijf opties voor het bestellen/leveren van houten gevelelementen voor uitwendige constructies van gebouwen: per optie zijn de inhoud van de concepten, de taken en verantwoordelijkheden tussen timmerfabriek en opdrachtgever duidelijk beschreven. |
| Dilatatievoeg | Uitzetvoeg: speling om krimp en uitzetting op te vangen (b.v. bij koppeling van kozijnen) |
| Expansieruimte | Ruimte welke noodzakelijk aanwezig is om krimp- en zwelgedrag van onderdelen mogelijk te maken |
| Gat (bij pen-en-gatverbinding) |
|
| Gesloten buitenbekleding | Buitenbekleding waardoor geen waterpenetratie door de bekleding zelf of door de aansluitingen kan plaatsvinden |
| Gevelelement | Het geheel van respectievelijk kozijn, raam, deur, paneel, borstwering, vakvulling etc. |
| Glaslijn | Denkbeeldige lijn deel uitmakend van een vlak in het gevelelement bepaald door: – de buitenzijde van het glasvlak; – verbindingslijnen tussen:
|
| Halfproduct | Toegeleverde producten ten behoeve van de opname in kozijnen of ramen, zoals bijvoorbeeld glas, aluminium profielen, houten glaslatten e.d. |
| Hefschuifdeur | Deur die eerst verticaal uit de dichting wordt getild, waarna de deur vervolgens schuivend geopend kan worden |
| Hefschuifvaldeur | Deur die eerst horizontaal uit de bovenzijde uit de sponning wordt getrokken, waarna de deur vervolgens schuivend geopend kan worden |
| Parallelschuifvaldeur | Deur die eerst in zijn geheel uit de sponning wordt getrokken, waarna de deur vervolgens schuivend geopend kan worden |
| Horizontale koppeling | Verbinding tussen twee naast elkaar geplaatste kozijnen |
| Inmetselkozijn | Kozijn dat vroeg in het bouwproces wordt geplaatst en dat eventueel de functie vervult als stelmaat voor het later aan te brengen metselwerk van het binnen- en/of van het buitenspouwblad |
| Inpandige woningtoegangsdeurkozijn | Deurkozijn dat een onderdeel is van de thermische schil van een woning waarbij het kozijn niet belast wordt door het buitenklimaat. Voor inpandige woningtoegangsdeuren mag de laagreliëfdorpel en/of laag gelegen houten onderdorpel worden vervangen voor een tijdelijke voorziening die zorgt voor een vormvast kader mits de prestaties aantoonbaar geborgd zijn. |
| Kalibreren (meetapparatuur) | Het bepalen van de waarde van de afwijking van een meetmiddel of referentiemateriaal ten opzichte van een van toepassing zijnde standaard en (indien noodzakelijk) het bepalen van andere metrologische eigenschappen |
| Kozijn | Vormvast kader samengesteld uit rand- en/of tussenstijlen, onder-, tussen- of bovendorpels van geprofileerd hout, met een onderverdeling die afhankelijk is van de gewenste toepassing. Een kozijn is de drager voor de in het kozijn aan te brengen vakvullingen en voorzieningen als: deuren, ramen, borstweringen, glas, panelen, ventilatievoorzieningen, bevestigingsmiddelen enz. Het kozijn is niet bedoeld om aan de stabiliteit van het bouwwerk bij te dragen en staat verticaal in de (hellende) gevel. Een kozijn heeft geen dragende functie |
| Mechanische eigenschappen | De eigenschappen die betrekking hebben op de sterkte en stijfheid van een materiaal, alsmede de weerstand tegen krassen, stoten, slijten en indrukken |
| Montagekozijn | Kozijn dat later in een prefab bouwelement of in de bouw tegen de daarvoor opgenomen producten wordt geplaatst. Voorbeelden van opgenomen producten zijn een stelkozijn of een aanslag met een vooraf vastgestelde maat- en vormvastheid |
| Neuthoogte (bij laagreliëfdorpels) | De maat die de neut boven het watergedragen vlak van de dorpel uitsteekt |
| Omringend kader | Deel van het kozijn met aanslag voor het beweegbaar deel |
| Open buitenbekleding | Buitenbekleding waarvan niet mag worden uitgegaan dat geen waterpenetratie door de bekleding zelf of door de aansluitingen kan plaatsvinden |
| Pen (bij pen-en-gatverbinding) |
|
| Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw | Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) nieuwbouw is een keurmerk voor nieuwe woningen die voldoen aan een aantal eisen op het gebied van inbraakpreventie (woningniveau) en sociale veiligheid (omgevingsniveau) |
| Politiekeurmerk Veilig Wonen Bestaande bouw | Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) bestaande bouw is een keurmerk voor bestaande woningen op woningniveau. De inrichting van wijken al langer geleden bepaald: de wijk bestaat al jaren, zodat ingrijpen kostbaarder wordt |
| Porring | Grootste afwijking van de denkbeeldige lijn tussen de einden van het segment of de einden van een boogvormige constructie. Zie tekening 03.02 |
| Raakhoek | Hoek van de raaklijn aan de kromme van een segment met de vezelrichting van het hout aan het einde van een segment. De raaklijn aan de kromme komt overeen met de loodlijn op het raakvlak. Zie tekening 03.02 |
| Raakvlak | Aansluitvlak tussen twee segmenten binnen een boogvormige constructie. Zie tekening 03.02 |
| Raam | Een raam is een vormvast kader samengesteld uit minimaal 2 stijlen, één onder- en één bovendorpel van geprofileerd hout. Dit raam is doorgaans de beweegbare omranding van een ruit |
| Raamdorpelsponning | Zie tekening 03.01 |
| Relatieve lucht vochtigheid | De verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp die in de lucht aanwezig is en de hoeveelheid waterdamp die de lucht onder gelijke omstandigheden voor temperatuur en druk kan bevatten |
| Roede | Tussenregel welke een onderverdeling vormt van het aanzicht van het glasvak (bij binnensponningen) |
| Roestvast staal | Corrosiebestendige staallegering |
| Ronde kant | Zie tekening 03.01 |
| Ruit | Glazen plaat, oorspronkelijk ruitvormig, thans gewoonlijk rechthoekig of vierkant, die in een kozijn, raam of (hef)schuifdeur wordt bevestigd. |
| Scharniersponning | Zie tekening 03.01 |
| Schuin kantje | Zie tekening 03.01 |
| Segment van een boogvormige constructie | Zie tekening 03.02 |
| Speling | Noodzakelijke ruimte tussen twee delen om de beweging van een of van beide delen mogelijk te maken |
| Sponning voor raamdorpelsteen of loodlatten | Zie tekening 03.01 |
| Sponningaanslag | Dat deel van de sponning dat evenwijdig is aan het vlak van het element waartegen producten (bijvoorbeeld glas) worden bevestigd of waartegen draaiende delen een aanslag vinden |
| Sponningbreedte, sponningdiepte, sponninghoogte, sponningaanslag | Zie tekening 03.01 |
| Stelkozijn | Kozijn dat vroeg in het bouwproces wordt geplaatst (en waartegen het metselwerk van het binnen- en van het buitenspouwblad wordt aangebracht) met het doel als aanslag en bevestigings- en stelmogelijkheid te dienen voor het later te plaatsen montagekozijn |
| Stellat | Lijnvormig element dat tijdens het bouwproces wordt geplaatst met het doel als aanslag en bevestigings- en stelmogelijkheid te dienen voor het later te plaatsen montagekozijn |
| Stelruimte | Ruimte welke noodzakelijk is om maattoleranties op te vangen tussen de verschillende onderdelen |
| Sterk geventileerde verticale luchtlaag | Luchtlaag in verbinding met de buitenlucht door middel van beluchtingsopeningen, aan de bovenzijde en aan de onderzijde (van een vakvulling), die tezamen een grotere doorsnede hebben dan 1000 mm² per m¹ gevellengte. |
| Stolpconstructie | Een constructie die toegepast wordt bij de aansluiting van twee openslaande ramen waarbij beide ramen gelijktijdig worden geopend. |
| Zwak geventileerde verticale luchtlaag | Luchtlaag in verbinding met de buitenlucht door middel van beluchtingsopeningen, aan de onderzijde (van een vakvulling), die tezamen geen grotere doorsnede hebben dan 1000 mm² per m¹ gevellengte |
| Thermisch verzinken | Het aanbrengen van een gesmolten metaal op metalen voorwerpen door onderdompeling of trommelen, gangbare laagdikte 50-60 μm. (Onjuiste benamingen zijn galvaniseren, vuurverzinken, volbadverzinken.) |
| Tongnaald | Een constructieonderdeel dat toegepast wordt bij de aansluiting (aanslag) van twee draaiende ramen. De ramen behoeven niet gelijktijdig geopend te worden |
| Vakvulling | Invulling van kozijnvak met glas, raam, (hef) schuifdeur, paneel e.d. ook wel vakvulling of dagkantvulling genoemd |
| Vellingkant | Schuin kantje aan een uitwendige hoek van een kozijnelement |
| Vensterbanksponning | Zie tekening 03.01 |
| Verticale koppeling | Verbinding tussen twee boven elkaar geplaatste kozijnen |
| Vouw-schuifdeur, Vouw-schuifraam | Combinatie van ramen of deuren waarbij de delen geheel of gedeeltelijk naar de zijkant van het kozijn geschoven kunnen worden |
| Warmtedoorgangs-coëfficiënt van een scheidingsconstructie (U) | De warmtestroom die in stationaire toestand door de scheidingsconstructie optreedt gedeeld door de geprojecteerde oppervlakte van de scheidingsconstructie en door het verschil in de omgevingstemperatuur aan weerszijden waarvan de genoemde warmtestroom het gevolg is |
| Warmtegeleidingscoëfficiënt van een materiaal (λ=lambda) | De warmtestroomdichtheid die in stationaire toestand in een materiaal optreedt gedeeld door de temperatuurgradiënt waarvan de genoemde warmtestroom het gevolg is |
| Warmteweerstand van een scheidings- constructie (Rc) | De reciproke waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt (U) van de scheidingsconstructie, verminderd met een waarde die afhankelijk is van de aard van de scheidingsconstructie en van de richting van de warmtestroom |
| Waterwerend membraan | Membraan dat toegepast wordt in dak- of gevelconstructies om het binnendringen van vocht in verblijfsgebieden, toilet- en badruimten te beperken. Er wordt onderscheid gemaakt in waterdichte, dampopen membranen en waterkerende, dampdoorlatende membranen (zie BRL 4708 delen 1 en 2) |
| Waterdicht, dampopen membraan (WDO membraan) |
Waterwerend membraan dat waterdicht en dampopen is voor toepassing in hellende daken en/of in gevels (zie BRL 4708 delen 1 en 2) |
| Waterkerend, damp-doorlatend membraan (WKD membraan) | Waterwerend membraan dat waterkerend en dampdoorlatend is voor toepassing in hellende daken en/of gevels (zie BRL 4708 delen 1 en 2) |
| Waterhol | Zie tekening 03.01 |
| Weerstandsklasse inbraakwerenheid | Gradatie genoemd in NEN 5096. Gevelelementen en onderdelen daarvan moeten in bepaalde situaties een bepaalde weerstand tegen inbreken bezitten. De eisen komen uit het Bbl |
| Zichtzijde | De in de eindsituatie in het zicht blijvende delen; hieronder worden niet de vlakken begrepen, die worden voorzien van een afdekking. |
3.2
Algemene termen en definities