20.3.1
Afhangen

20.3.1.1 Scharnieren

Het aantal scharnieren voor een raam is gebaseerd op de “standaard” breedtemaat van 800 mm en hoogtemaat van 1200 mm voor zowel naar binnen- als naar buiten draaiende ramen. Zie tekening 20.02. In verband met vormstabiliteit bij ramen kan het noodzakelijk zijn om aan de hangzijde een extra voorziening te treffen, in de regel een extra scharnier.

Voor scharnieren kan ook paumelles gelezen worden.

20.3.1.2 Aantal en plaats van de scharnieren

Bij het plaatsen van scharnieren moet de maatvoering van tekening 20.02 aanhouden worden (maatvoering tot de betreffende rand van het scharnierblad).

20.3.1.3 Aantal scharnieren ramen

Het aantal scharnieren is afhankelijk van het totale gewicht van het raam. Uitgangspunt is 2 scharnieren aan een raamgrootte van 800 x 1200 mm (bxh), draaiend om een verticale as. De fabrikant/leverancier geeft het maximaal draagvermogen van zijn scharnieren op.
Aanvullende voorwaarden:

  • indien een derde scharnier wordt toegepast mag het gewicht van het raam met 27% vermeerderd worden.

(Voorbeeld: is het maximaal toelaatbare gewicht bij 2 scharnieren 25 kg, dan wordt het maximaal toelaatbare gewicht bij toepassing van een derde scharnier 31,75 kg);

  • bij ramen breder dan 800 mm neemt het gewicht per 10 mm breedte toe met 1,5%.

(Voorbeeld: Weegt een raam 25 kg en 850 mm breed, dan wordt het rekengewicht voor het raam 26,88 kg. Op dit gewicht dienen de scharnieren te worden aangepast).

In verband met de vormstabiliteit van ramen bij een raamhoogte vanaf 1200 mm dient aan de hangzijde een extra voorziening te worden aangebracht, in de regel een extra scharnier.

Voor val- en klepramen gaat de fabrikant/leverancier uit van een raamgrootte van 1200 x 800 mm (bxh), afgehangen aan 2 scharnieren en draaiend om een horizontale as.

Aanvullende voorwaarden:

  • als een val- of klepraam te zwaar is voor 2 scharnieren dan moeten 4 scharnieren worden toegepast. Hierdoor kan het toelaatbare gewicht met 100% worden verhoogd.

Bij ramen breder dan 1200 mm moet, in verband met de vormstabiliteit, aan de hangzijde een extra voorziening worden aangebracht, in de regel een extra scharnier.

20.3.1.4 Inkrozingen van de scharnieren

Het vlak van de inkrozing in het draaiend deel dient evenwijdig te zijn aan het vlak van de omkanten. Bij de diepte van de inkrozing rekening houden met de bleddikte van scharnier. Het scharnierbled mag maximaal 0,5 mm onder het oppervlak geplaatst worden.

Hierbij wordt uitgegaan van een haakse omfrezing van de hangzijde van het raam. Indien het raam aan de hangzijde arms uitgevoerd wordt, moeten de inkrozingen aangepast worden om te kunnen voldoen aan de hangnaden zoals opgenomen in tabel 20.5.1.

Als een scharnierhol in een kozijnstijl noodzakelijk is dient rekening te worden gehouden met de afmetingen van de scharnierknoop. Dit geldt ook voor de scharnieren bij klepramen en een waterhol.

20.3.1.5 Positie scharnier t.o.v. het zwaartepunt

De afstand, gemeten loodrecht op het vlak tussen de bevestigingspunten van het scharnier en het vlak van het zwaartepunt van de (glas)vulling van het raam, mag niet groter zijn dan 20 mm. Als de voorschriften of richtlijnen van de leverancier strenger zijn, dienen deze te worden toegepast.

20.3.1.6 Bevestigingswijze van de scharnieren

De scharnieren dienen onderling in één lijn te worden geplaatst en te worden bevestigd met schroeven. Voor het materiaal van de schroeven zie katern 37. De afstand van het hart van de bevestigingsmiddelen tot de rand van het hout dient ten minste 8 mm te zijn. De diameter en de lengte van de schroeven is zowel gerelateerd aan het aantal scharnieren als ook aan SKH-publicatie 98-08 (Inbraakwerend geveltimmerwerk).

KVT Index