De sponning in ramen en (hef)schuifdeuren bij binnenbeglazing behoort per glasvlak te zijn voorzien van minimaal 2 beluchtingsopeningen. Deze openingen dienen op een zo laag mogelijk punt van de beglazing te worden aangebracht. Minimaal 50 mm en maximaal 100 mm uit de hoek). De openingen moeten aan de buitenzijde boven het watergedragen vlak uit komen.
De beluchting dient minimaal 300 mm² per meter sponninglengte te zijn.
Uitvoeringsmogelijkheden:
- een gat van minimaal Ø 8 mm (h.o.h. 180 mm);
- een sleuf van minimaal 6 mm × 25 mm.
Bij buitenbeglazing wordt de beluchting gerealiseerd door een neuslat op neuslatblokjes.
Neuslatten: zie tekening 12.02.
Binnenbeglazingsprofielen (zie ook katern 38): zie tekening 12.03 en 12.04.
Onderdorpels van ramen, (hef)schuifdeuren en stapeldorpels: zie tekening 12.05.