11.6.1 Algemeen
De tekeningen 11.B1 en 11.B2 ( kozijnen met spouwlatten of stelkozijnen voor “standaard” kozijnen) en 11.B3 (“bijzondere” kozijnvormen) geven hoofd principes weer. Hierbij worden ook de toepassingsklassen benoemd. Deze toepassingsklassen verwijzen naar het risico en blootstelling van het gevelelement (Zie _§11.2).
11.6.2 Positie en maatvoering van het kozijn in toepassingsklassen 2 en 3 ten opzichte van het bouwkundig kader
In bijlage B1, tekeningen 11.B1.01 en 11.B1.02, zijn de maatvoeringen weergegeven die gelden als voorwaarden voor de plaats van het kozijn in de de toepassingsklassen 2 en 3.
11.6.3 Spouwlatten
Bij de aansluiting op spouwmuren kan gebruik worden gemaakt van spouwlatten. De aansluiting van de spouwlat op het kozijn moet “luchtdicht” worden uitgevoerd. Hiervoor moeten de spouwlatten luchtdicht op het bouwkundig kader worden aangesloten.
De minimale afmeting van een spouwlat bedraagt 27 x 44 mm voor montage tegen een houten binnenspouwblad. De minimale dikte van de spouwlat bedraagt 38 mm voor montage tegen een binnenspouwblad van andere materialen. De minimale oplegmaat van de spouwlat op het bouwkundig kader is 25 mm. Voor de houtkwaliteit wordt verwezen naar katern 31.
De aansluiting van de spouwlat op het kozijn moet voldoende luchtdicht worden uitgevoerd. Een spouwlat verlijmd op het kozijn wordt als een voldoende luchtdichte aansluiting beschouwd.
De onderlinge aansluiting van de spouwlatten dient luchtdicht uitgevoerd te worden. Een onderlinge aansluiting die is verlijmd, voorzien is van een dichtingsband of rondom is voorzien van een kitvoeg wordt als een voldoende luchtdichte aansluiting beschouwd.
Aansluiting spouwlatten
Spouwlatten worden over het algemeen aan het kozijnhout gelijmd en bevestigd met draadnagels of nieten met een lengte van 2 x de dikte van de spouwlat. Deze wijze van uitvoering geldt als een luchtdichte aansluiting. Vervolgens worden kozijn én spouwlat als geheel van oppervlakte afwerkingen voorzien. Draadnagels mogen maximaal 300 mm uit elkaar worden geplaatst en nieten maximaal 200 mm. De (nagel-) afstand tot het uiteinde van de spouwlat is ca. 100 mm (niet in de verbinding).
Wanneer bij onvoldoende kozijnhoutdikte kortere nagels of nieten moeten worden gebruikt, moet de onderlinge afstand tussen de draadnagels en nieten 200 mm resp. 150 mm zijn.
Andere vormen van aansluitingen zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld bij een koude aansluiting van behandeld hout op behandeld hout. Een kitzoom of decrompressieband is toegestaan als luchtdichting (zie tekening 11.B1.01).
Voor materialen van luchtdichtingen wordt verwezen naar katern 40.
11.6.4 Verankering
Het kozijn moet rondom aan het bouwkundig kader worden bevestigd d.m.v. hoekankers. Vervormingen van het bouwkundig kader mogen geen nadelige invloed hebben (b.v. doormetselen van kozijnen) en mogen geen belastingen uitgeoefend worden op het kozijn.
Voor verankering aan een reeds opgetrokken bouwkundig kader (steen of beton) moet gebruik worden gemaakt van hoekankers.
De hoekankers en de bevestigingsmiddelen dienen corrosiewerend te zijn. Voor materiaal- en toepassingsmogelijkheden wordt verwezen naar katern 37.
11.6.5 Plaats van de verankeringsmiddelen
Hoekankers dienen tegen het bouwkundig kader geplaatst te worden aan de binnenzijde van de thermische spouwisolatie. In de volgende paragrafen is de plaats van de hoekankers aangegeven. Uitgangspunt is 66 mm dik kozijnhout (onderdorpel, bovendorpel en stijlen).
11.6.5.1 Hoekankers/ondersteuning ter plaatse van onderdorpels
- Afstand spouwlat van het kozijn tot aan het hart eerste hoekanker 80-120 mm;
- H.o.h. van de hoekankers maximaal 700 mm. Indien er voor de toegepaste reliëfdorpel een kleinere h.o.h. afstand wordt voorgeschreven moet deze te worden aangehouden. De aan te houden h.o.h. afstand is opgenomen in het verwerkingsvoorschrift van de fabrikant van de laagreliëfdorpel;
- Voor schuifpuien moet voor het bepalen van de juiste hoekankers het gewicht van de schuifpui maal 2 genomen worden. Dit in verband met het verplaatsen van het gewicht van het bewegende deel achter het vaste deel.
Alternatief kan onder het vaste deel van schuifpuien de h.o.h. afstand verkleind worden tot 350 mm.
Bovenstaande is grafisch weergegeven in tekening 11.B1.06
11.6.5.2 Hoekankers ter plaatse van stijlen en bovendorpels
1. Ter plaatse van de stijlen, afstand spouwlat van het kozijn tot aan het hart eerste hoekanker bedraagt 150-200 mm, ter plaatse van de bovendorpels 80-120 mm
- H.o.h. maximaal 700 mm
Indien de bovendorpel verankerd wordt aan de bovenliggende vloer dient deze verankerd te worden met een hoekanker voorzien van een verticaal slobgat. Het verankeringsmiddel in het verticale slobgat dient met de juiste moment aangedraaid te worden. Hierdoor ontstaat een verbinding die ervoor zorgt dat de vloer nog kan “nazakken” en het kozijn op de juiste plek houd.
Bovenstaande is grafisch weergegeven in tekening 11.B1.06
11.6.5.3 Rekwerken
Rekwerken naast, boven en/of onder het kozijn dienen als één geheel tegen het kozijn bevestigd te worden. De afmetingen van het hout van de rekwerken moet zijn afgestemd op de van toepassing zijnde windstuwdruk.
Indien aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, kunnen de posities van de hoekankers zoals omschreven in de bovenstaande paragrafen aangehouden worden.
11.6.6 Uitvoering ankers
Om de uitvoering (materiaal, maatvoering en bevestigingsopeningen) van de toe te passen ankers te kunnen berekenen is minimaal de onderstaande informatie noodzakelijk:
- Windbelasting (gebouw) (+ factoren, ongunstigste situatie)
- Veiligheidsfactor (wordt bepaald door de constructeur)
- Gewicht van het totale gevelelement
- Zwaartepunt gevelelement (glaslijn) t.o.v. bouwkundig kader (mm) (let op bij bloem- en erkerkozijnen)
- Bevestingingsondergrond bouwkundig kader
11.6.7 Bevestiging hoekankers aan het gevelelementen
Hoekankers worden bevestigd aan de spouwlatten of rek-werken. De juiste bevestigingsmiddelen (type en afmetingen) worden vastgesteld door de constructeur. Bij het ontbreken van spouwlatten bij laag reliëfdorpels, is de bevestigings-method opgenomen in het verwerkingsvoorschriften van de fabrikant van de laagreliëfdorpel.
11.6.8 Bevestiging ankers tegen het bouwkundig kader
De juiste bevestigingsmiddelen (type en afmetingen) om de ankers aan het bouwkundig kader te bevestigen wordt vastgesteld door de constructeur. De bevestigingsmiddelen zijn afhankelijk van het type bouwkundig kader (steen, beton, etc).