De droge laagdikte dient gemeten te worden met een apparaat waarin zowel een beiteltje/boortje en een loep zijn gecombineerd of met een coupesteker in combinatie met een microscoop.
- Op 5 verschillende plaatsen, ten minste;
– 1 meting aan de buitenzichtzijde;
– 1 meting in de glassponning van een stijl bij de onderdorpel;
– 1 meting in de glassponning van een onderdorpel. - De meting uitvoeren na de kritische droogtermijn;
- Minimaal 1 maal per week.
Op basis van het rekenkundig gemiddelde van ten minste 5 metingen wordt de droge laagdikte vastgesteld. Bij metingen voor het vaststellen van de droge laagdikte wordt het volgende in acht genomen:
- metingen worden uitgevoerd met een verflaagdiktemater (in twijfelgevallen of bij arbitrage worden monsters microscopisch onderzocht);
- de meetplekken worden willekeurig gekozen, maar de serie van 5 dient overeen te komen met bovenstaande;
- de laagdikte wordt gemeten vanaf het houtoppervlak (zonder de in het hout gedrongen verf).
Voor het vaststellen van de gemiddelde waarden gelden de volgende criteria:
- maximaal 5% van de gemeten waarden mag kleiner zijn dan de vereiste droge laagdikte;
- tot een aantal van 10 metingen (doch minimaal 5 metingen) mag de waarde van de laagste meting niet minder bedragen dan 80% van de vereiste laagdikte.