75.5.3
Controle droge laagdikte

De droge laagdikte dient gemeten te worden met een apparaat waarin zowel een beiteltje/boortje en een loep zijn gecombineerd of met een coupesteker in combinatie met een microscoop.

  • Op 5 verschillende plaatsen, ten minste;
    – 1 meting aan de buitenzichtzijde;
    – 1 meting in de glassponning van een stijl bij de onderdorpel;
    – 1 meting in de glassponning van een onderdorpel.
  • De meting uitvoeren na de kritische droogtermijn;
  • Minimaal 1 maal per week.

Op basis van het rekenkundig gemiddelde van ten minste 5 metingen wordt de droge laagdikte vastgesteld. Bij metingen voor het vaststellen van de droge laagdikte wordt het volgende in acht genomen:

  • metingen worden uitgevoerd met een verflaagdiktemater (in twijfelgevallen of bij arbitrage worden monsters microscopisch onderzocht);
  • de meetplekken worden willekeurig gekozen, maar de serie van 5 dient overeen te komen met bovenstaande;
  • de laagdikte wordt gemeten vanaf het houtoppervlak (zonder de in het hout gedrongen verf).

Voor het vaststellen van de gemiddelde waarden gelden de volgende criteria:

  • maximaal 5% van de gemeten waarden mag kleiner zijn dan de vereiste droge laagdikte;
  • tot een aantal van 10 metingen (doch minimaal 5 metingen) mag de waarde van de laagste meting niet minder bedragen dan 80% van de vereiste laagdikte.
KVT Index