27.1 Algemeen
Dit katern heeft betrekking op de uitvoeringseisen voor houten stelkozijnen voor houten gevelelementen.
Een stelkozijn is een kozijn dat vroeg in het bouwproces wordt geplaatst met het doel:
- als aanslag, bevestigings- en stelmogelijkheid te dienen voor het later te plaatsen montagekozijn;
- als aanslag te dienen voor het later aan te brengen metselwerk;
- belastingen (bv. winddruk) over te brengen van het gemonteerde montagekozijn naar het omringend bouwkundige kader.
27.1.1 Toepassingsgebied
De in dit katern beschreven uitvoeringsmogelijkheden beperken zich tot:
- stelkozijnen voor van buitenaf aan te brengen houten montagekozijnen;
- stelkozijnen in aansluiting op bouwkundige constructies conform katern 11.
Voor de aansluiting op en verankering aan bouwkundige constructies, de daarbij behorende uitvoeringsprincipes en principeaansluitingen tussen stelkozijnen en montagekozijnen, wordt verwezen naar katern 11.
27.2 Materiaaleisen stelkozijnen
27.2.1 Toelaatbare houtsoorten
Voor de toelaatbare houtsoorten en de mogelijkheden voor het upgraden van het hout wordt verwezen naar katern 31.
Houtsoorten uit duurzaamheidsklasse 3 en 4 (zie katern 31) kunnen worden toegepast als de hoekverbindingen van het stelkozijn niet direct aan het buitenklimaat worden blootgesteld.
Dit kan worden gerealiseerd door de stijlen van het stelkozijn door te laten lopen bij de verbinding van stijl-dorpel zodat de verbindingsnaad grotendeels afgedekt wordt door het montagekozijn.
27.2.2 Kwaliteitseisen
Hout voor stelkozijnen dient ten minste te voldoen aan kwaliteitsklasse C overeenkomstig NEN 5466.
27.2.3 Houtvochtgehalte
In katern 31, bijlage 1, wordy in de kolom “TV Kozijn/raam” (toepassingshoutvochtgehaltepercentages voor kozijnen en ramen) het toegestane houtvochtpercentage vermeld. Dit geldt ook voor stelkozijnen.
Het gemiddelde houtvochtgehalte dient gedurende het traject tot aflevering in stand te worden gehouden door beheersing van het binnenklimaat van de opslag- en productieruimtes.
27.2.4 Afdichten kops hout buiten de verbinding
Alle kopse vlakken van het hout buiten de verbinding dienen te worden afgedicht conform katern 44.
27.2.5 Oppervlaktebescherming
Het hout dient minimaal te worden voorzien van een grondlaksysteem conform katern 36.
27.3 Uitvoeringseisen stelkozijnen
27.3.1 Minimale houtafmetingen
- 45 mm dik x 114 mm breed;
- 52 mm dik x 139 mm breed;
- afmetingen in overleg met de opdrachtgever en in relatie tot de sponningen.
27.3.2 Profileringen
De profilering van de omkanten van stelkozijnen dient te zijn afgestemd op de aansluiting met het bouwkundig kader, een en ander conform katern 11 (zie tekening 11.B1.02).
In verband met de aan te brengen oppervlaktebescherming dienen de randen te worden afgerond (afrondingsstraal ten minste 3 mm).
27.3.3 Verbindingen
De verbindingen tussen stijlen en dorpels met een houtbreedte < 114 mm uitvoeren met ten minste een enkele pen- en gatverbinding of een dubbele deuvelverbinding.
Bij een houtbreedte ≥ 114 mm de verbindingen uitvoeren met een dubbele pen- en gatverbinding of een dubbele deuvelverbinding.
27.3.4 Uitvoeringseisen verbindingen-algemeen
Opsluiten van de verbindingen met een lijmtype conform BRL 2339. Lijmtype moet geschikt zijn voor de toegepaste houtsoort, zie SKH-publicatie 99-10. Behandeling van het element na het opsluiten zie katern 15.
De ongelijkheid van in één vlak aansluitende onderdelen van een verbinding dient < 0,5 mm te zijn.
27.3.5 Specifieke eisen pen- en gatverbindingen
Pen- en gatverbindingen dienen te voldoen aan de volgende uitvoeringseisen:
- de verbinding tussen dorpels en stijlen dient te worden uitgevoerd met doorlopende stijlen;
- pendikte: minimaal 12 mm, maximaal 20 mm;
- gatbreedte: niet meer dan 0,1 mm groter dan de pendikte;
- positie van de pen bij enkele pen- en gatverbinding: in het midden van de houtbreedte;
- borstmaat bij dubbele pen- en gatverbinding: minimaal 17 mm, maximaal 30 mm.
27.3.6 Specifieke eisen dubbele deuvelverbindingen
Dubbele deuvelverbindingen dienen te worden uitgevoerd met twee deuvels van ten minste ø 12 mm.
27.3.7 Toelaatbare afmetingen van stelkozijnen
De maximale grootte van stelkozijnen is gerelateerd aan de maximale afmetingen van montagekozijnen, conform katern 18 en katern 30.
27.3.8 Koppeling van stelkozijnen
Uitvoering overeenkomstig de principes in katern 11.
27.3.9 Toelaatbare maatafwijkingen
Voor toelaatbare maatafwijkingen van stelkozijnen wordt verwezen naar katern 63.
27.4 Tijdelijke voorzieningen
Afhankelijk van de afmetingen dienen tijdelijke maatregelen genomen te worden om vervormingen (doorbuiging, schranken) van stelkozijnen tijdens opslag en transport te voorkomen. De tijdelijke maatregelen bestaan uit het aanbrengen van hulplatten en/of schoorlatten zoals in tekening 27.01 is aangegeven. De houtafmetingen van de latten dienen ten minste 16 x 45 mm te zijn.
De tijdelijke maatregelen dienen te blijven functioneren tot de uiteindelijke verankering en ondersteuning van het stelkozijn met het bouwkundig kader gerealiseerd is.
Het stelkozijn dient geschikt te zijn voor een tijdelijke vulling, bijvoorbeeld met een waterkerende dampdoorlatende folie indien dit door de opdrachtgever vereist wordt.
De wijze van bevestiging van de tijdelijke voorzieningen en de daarbij behorende bevestigingsmiddelen mogen geen nadelige uitwerking hebben op het stelkozijn.
27.01 Voorbeelden van toepassing van tijdelijke voorzieningen
Tekening(en) oktober 2015 / 27.01 / Katern 27 Stelkozijnen / Voorbeelden van toepassing van tijdelijke voorzieningen