21.3
Buitenbekleding van triplexplaten

De kwaliteitseisen voor triplexplaten zijn vastgelegd in katern 32. De omkanten dienen te worden afgedicht conform katern 44. Eisen m.b.t. de oppervlaktebescherming zijn vastgelegd in katern 36. In verband met de stootvastheid dienen triplexplaten ≥ 10 mm dik te zijn.
Niet opgesloten omrandingen van triplexplaten dienen te worden afgerond met een straal van ≥ 3 mm. Opgesloten omrandingen van triplexplaten mogen worden voorzien van vellingkanten van ≥ 2 mm.

Triplexplaten dienen te worden bevestigd met schroeven of nagels van rvs. Het gebruik van nieten is niet toegestaan. De lengte van schroeven dient ≥ 2 x de plaatdikte te zijn. Voor nagels geldt een minimale lengte van ≥ 2,5 x de plaatdikte.
De hart-op-hart afstand van de bevestigingsmiddelen bedraagt ≤ 600 mm. Bij de omranding van de platen bedraagt de randafstand van de bevestigingsmiddelen ≥ 20 mm en ≤ 25 mm.

Stuiknaden dienen gesitueerd te zijn ter plaatse van een achterliggende stijl of regel van voldoende sterkte. Tussen de platen dient daarbij een vrije ruimte van ≥ 10 mm in acht te worden genomen.

KVT Index