14
Kozijnen met binnensponningen

14.1 Algemeen

De details voor binnensponningen in kozijnhout kunnen per fabrikant verschillend zijn. Om die reden is in de KVT gekozen voor het omschrijven van de minimale afmetingen van de binnensponningen.
De uiteindelijke eigenschappen en prestaties van de constructies worden mede bepaald door combinaties van hang- en sluitwerk, profielen, kierdichting en detaillering. In katern 30 zijn tabellen met maximaal toelaatbare overspanningen voor tussendorpels en tussenstijlen aangegeven.

Kozijnen met binnensponningen zijn bedoeld voor het opnemen van:

14.2 Binnensponningen; sponningbreedte en -hoogte

Alle sponningen van onder- en tussendorpels moeten naar buiten afwaterend worden uitgevoerd met een hellingshoek van ten minste 9°. De hellingshoek dient over de gehele lengte van de sponning door te lopen.

We onderscheiden de volgende soorten van binnensponningen:

  • rechthoekige sponningen voor het plaatsen van ruiten, panelen, ect;
  • sponningen met een profiel voor naar binnendraaiende ramen of deuren;
  • combinaties van sponningen met verschillende breedten en hoogten met; meerdere en wisselende vakvullingen (wisselsponningen).

Voor het plaatsen van isolatieglas moet de sponning in de dagkant van stijlen en bovendorpels ten minste 17 mm hoog zijn.

Voor bovenkanten van onder- en tussendorpels, afhankelijk van detaillering en uitvoering, moet deze tenminste 14 mm bedragen (zie tekening 14.01).

Bij (tussen)stijlen en onderkanten van boven- en tussendorpels mogen sponninglatten in combonatie met een waterkering worden aangebracht. Deze zogenaamde “lijmlatten” uitvoeren volgens tekening 14.03.

14.3 Dichtingen bij draaiende delen (wind- en waterdichting)

In katern 18 worden o.a. de prestaties van waterdichtheid en luchtdoorlatendheid aangegeven.

In de bewegende delen wordt een rondgaande dichting aangebracht, zie katern 40.

Deze luchtdichting sluit aan tegen de tweede sponningaanslag van het kozijnhout (zie tekening 14.02).

De sponning voor een waterkering of ontspanningshol bij binnensponningen wordt buiten het vlak van de luchtdichting voor de eerste aanslag aangebracht. De afstand tussen beide aanslagen moet ten minste 15 mm zijn (zie tekening 14.02).

Er dient een vrije ruimte aangehouden te worden van 0,5 tot 1 mm tussen de 1e aanslag en de buitenzijde van het bewegende deel.

14.4 Hang- en sluitwerk

In de kozijnstijlen kan een scharnier- of voorsponning worden aangebracht (zie  tekening 14.03). Breedte en diepte van deze sponning is afhankelijk van het type scharnier.

14.5 Waterhol/aluminium lekdorpelprofiel

In boven- en tussendorpels dient een waterhol of een aluminium lekdorpelprofiel aangebracht te worden. Bij bovengelegen beschermende constructies zoals balkons, etc. is dit niet vereist.

14.01 Voorbeeld van veel voorkomende maten binnensponningen

Download DWG Download PDF

14.02 Principe luchtdichting en waterafvoer bij draaiende delen

Download DWG Download PDF

14.03 Principe details”(in)lijmlatten” voor creëren van buitensponningen en draaivalsponning

Download DWG Download PDF
KVT Index