Horizontaal gekoppelde kozijnen zijn onder te verdelen in:
- horizontaal te koppelen kozijnen in één vlak (zie tekening 11.B1.03)
- horizontaal te koppelen kozijnen onder een hoek (zie tekening 11.B1.04)
Voor uitvoering leidt dit tot de volgende mogelijkheden:
- de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen lopen volledig (al of niet door afschuining) evenwijdig aan elkaar;
- de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen lopen (deels of geheel) niet evenwijdig aan elkaar.
Wanneer de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen een doorsnijdingsvlak met elkaar hebben, moet in het betreffende gebied rekening worden gehouden met de minimale maatvoeringseisen voor kozijnverbindingen (zie katern 15). Bij inwendige hoeken dient bovendien rekening te worden gehouden met de benodigde vrije ruimte voor opdekramen en draaivalramen, en voor hang- en sluitwerk en beslag van naar binnen bewegende delen.
In alle gevallen dient bij de koppeling aan de binnenzijde een luchtdichting en aan de buitenzijde een waterdichting gerealiseerd te worden.
Uitvoeringsprincipe mogelijkheid 1 (zie tekening 11.B1.03)
Voor de te koppelen kozijnen moet gebruik worden gemaakt van een koppellat die wordt ingelaten in een sponning van de te koppelen kozijnonderdelen. De aanslag van het kozijnhout op de koppellat dient ten minste 8 mm te zijn.
Uitvoeringsprincipe mogelijkheid 2 (zie tekeningen 11.B1.04 en 11.B1.05)
De gewenste hoek wordt bereikt door de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen (deels of geheel) niet evenwijdig met elkaar te laten lopen. Hiermee is in principe elke mogelijke hoek te realiseren. De ontstane ruimte tussen de te koppelen stijlen kan worden:
- opgevuld met een vulstijl, maximale afmetingen 90 x 90 mm, die tevens de positie van de te koppelen stijlen dient te borgen;
- afgesloten met houten delen of plaatmateriaal.
Wanneer de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen geen raakvlak met elkaar hebben, moet de verbinding tussen de kozijnen tot stand worden gebracht via een vulstijl of via stukken hoeklijn van corrosievast staal.
De koppeling moet zodanig gedetailleerd worden dat de afzonderlijke kozijnen onafhankelijk van elkaar blijvend kunnen bewegen en voldoende vrije ruimte aanwezig is om bewegingen te kunnen opvangen. Dit houdt in dat de afzonderlijke kozijnen niet star aan elkaar bevestigd mogen worden.
De afzonderlijke kozijnen dienen ter plaatse van de aansluiting op ten minste twee plaatsen door de achterliggende bouwkundige constructie afgesteund of gedragen te worden, een en ander conform Tabel B.