11.8.1 Algemene voorwaarden
Horizontaal (↔) gekoppelde kozijnen dienen ter plaatse van de koppeling uitgevoerd te zijn met dubbele stijlen (zie tekening 11.B1.03).
Verticale (↕) koppelingen (bij gestapelde kozijnen) dienen ter plaatse van de koppeling uitgevoerd te zijn met dubbele dorpels (zie tekening 11.B1.03).
Bij horizontaal of verticaal gekoppelde kozijnen moet bij de koppeling een stel– of expansieruimte aangehouden worden.
Bij gekoppelde kozijnen > 15 m² dient van elk te koppelen kozijn, de stijlen en dorpels bevestigd te worden aan het bouwkundig kader. De koppelingen moeten over de gehele hoogte c.q. breedte van de aansluiting van de kozijnen worden uitgevoerd.
Verder gelden de volgende eisen:
- Bij horizontaal gekoppelde kozijnen geldt een maximum van 6 stijlen (in combinatie met 5 tussendorpels) per kozijn.
- Bij verticaal gekoppelde kozijnen geldt een maximum van twee kozijnen.
Omdat kozijnen geen dragende functie mogen hebben dient men bij het verticaal koppelen van kozijnen rekening te houden met (overmatige) belasting van het onderliggende kozijn. Voor de maximaal toelaatbare afmetingen van de afzonderlijke kozijnen wordt verwezen naar katern 30.
Horizontale gekoppelde kozijnen kunnen onder een hoek gekoppeld worden.
a. Stel- en expansieruimte
Ter plaatse van de koppeling (verticaal of horizontaal) dient rekening te worden gehouden met de noodzaak van een stel- en expansieruimte.
De stel- en expansieruimte is noodzakelijk omdat de afzonderlijke (bouw)onderdelen maattoleranties kunnen hebben en de afzonderlijke delen door eigenschappen van het hout kunnen krimpen en zwellen. Algemeen kan worden gesteld dat men rekening moet houden met 2-4 mm uitzetting/krimpen bij een kozijnbreedte van 4000 mm. Bij houtsoorten met een grote gevoeligheid voor vochtopname/afgifte kan dit tot ± 6 mm bedragen.
b. Dilataties
In overleg met de opdrachtgever dient te worden vastgesteld waar en hoe een koppeling uitgevoerd dient te worden als dilatatie.
Ook moet worden vastgesteld op welke plaats de kozijnen onafhankelijk van elkaar aan het bouwkundig kader worden gekoppeld. Praktisch gezien moet rekening worden gehouden met horizontale en/of verticale dilataties tussen circa 2,5 en 6,0 m¹. Bij verticaal (in de hoogte) gekoppelde kozijnen geldt een maximum van 2 verdiepingen.
Opmerking:
De gekoppelde tussendorpels en –stijlen moeten met betrekking tot sterkte en stijfheid (windbelasting) voldoen aan katern 30.
c. Lucht- en waterdichting van gekoppelde kozijnen
Om de vereiste waterdichting en/of luchtdichting tussen de productonderdelen te bereiken moeten schuimbanden, kitten of rubbers als voegdichting worden opgenomen. In verband met de mindere levensduur van de materialen voor water- en luchtdichting t.o.v. de gevelelementen moeten direct aan het buiten klimaat blootgestelde voegdichtingen voor onderhoud en/of vervanging bereikbaar zijn (zie katern 40). Ook moet direct na het plaatsen en koppelen van de kozijnen de waterdichting worden aangebracht.
De breedte van de naad waarin de waterkering is opgenomen dient te zijn afgestemd op het te verwachten krimp- en zwelgedrag van de kozijnen.
d. Uitvoering van de verbindingen van de koppelingen
Na positionering en verankering aan het bouwkundig kader moeten de afzonderlijke kozijnen op ten minste twee plaatsen, van de te koppelen stijlen en/of dorpels, met schroeven aan elkaar bevestigd worden. De schacht en de kop van de schroef/bout dient zich vrij van het omliggende hout te kunnen bewegen. Deze verbinding heeft alleen een stabiliteitsfunctie en dient om krimp- en zwelgedrag mogelijk te maken. De plaatsen van deze verbindingsmiddelen en overige voorwaarden zijn gelijk aan hetgeen is vastgelegd voor verankeringsmiddelen van kozijnen aan het bouwkundig kader (zie katern § 11.6.5).
Het materiaal van de verbindingsmiddelen dient te voldoen aan de in katern 37 gestelde eisen.
De verbindingsmiddelen moeten:
- zich aan de binnenzijde van de waterkering bevinden en bij voorkeur binnen de glaslijn of binnen het vlak van de dichtingen;
- buiten het gebied van een kozijnverbinding aangebracht worden.
11.8.2 Horizontaal gekoppelde kozijnen (↔)
Horizontaal gekoppelde kozijnen zijn onder te verdelen in:
- horizontaal te koppelen kozijnen in één vlak (zie tekening 11.B1.03)
- horizontaal te koppelen kozijnen onder een hoek (zie tekening 11.B1.04)
Voor uitvoering leidt dit tot de volgende mogelijkheden:
- de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen lopen volledig (al of niet door afschuining) evenwijdig aan elkaar;
- de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen lopen (deels of geheel) niet evenwijdig aan elkaar.
Wanneer de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen een doorsnijdingsvlak met elkaar hebben, moet in het betreffende gebied rekening worden gehouden met de minimale maatvoeringseisen voor kozijnverbindingen (zie katern 15). Bij inwendige hoeken dient bovendien rekening te worden gehouden met de benodigde vrije ruimte voor opdekramen en draaivalramen, en voor hang- en sluitwerk en beslag van naar binnen bewegende delen.
In alle gevallen dient bij de koppeling aan de binnenzijde een luchtdichting en aan de buitenzijde een waterdichting gerealiseerd te worden.
Uitvoeringsprincipe mogelijkheid 1 (zie tekening 11.B1.03)
Voor de te koppelen kozijnen moet gebruik worden gemaakt van een koppellat die wordt ingelaten in een sponning van de te koppelen kozijnonderdelen. De aanslag van het kozijnhout op de koppellat dient ten minste 8 mm te zijn.
Uitvoeringsprincipe mogelijkheid 2 (zie tekeningen 11.B1.04 en 11.B1.05)
De gewenste hoek wordt bereikt door de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen (deels of geheel) niet evenwijdig met elkaar te laten lopen. Hiermee is in principe elke mogelijke hoek te realiseren. De ontstane ruimte tussen de te koppelen stijlen kan worden:
- opgevuld met een vulstijl, maximale afmetingen 90 x 90 mm, die tevens de positie van de te koppelen stijlen dient te borgen;
- afgesloten met houten delen of plaatmateriaal.
Wanneer de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen geen raakvlak met elkaar hebben, moet de verbinding tussen de kozijnen tot stand worden gebracht via een vulstijl of via stukken hoeklijn van corrosievast staal.
De koppeling moet zodanig gedetailleerd worden dat de afzonderlijke kozijnen onafhankelijk van elkaar blijvend kunnen bewegen en voldoende vrije ruimte aanwezig is om bewegingen te kunnen opvangen. Dit houdt in dat de afzonderlijke kozijnen niet star aan elkaar bevestigd mogen worden.
De afzonderlijke kozijnen dienen ter plaatse van de aansluiting op ten minste twee plaatsen door de achterliggende bouwkundige constructie afgesteund of gedragen te worden, een en ander conform Tabel B.
11.8.3 Verticale koppelingen (gestapelde kozijnen) (↕)
Uitvoeringsprincipe (zie tekening 11.B1.03)
Voor de verbinding tussen boven- en onderdorpel van de te koppelen kozijnen dient gebruik te worden gemaakt van een wisselsponning. Aan de buitenzijde van de wisselsponning moet een duurzame waterdichting worden aangebracht. Aan de binnenzijde van de wisselsponning moet een luchtdichting geplaatst worden. De luchtdichting moet aansluiten op de luchtdichting die in de aansluiting van het kozijn met het bouwkundig kader is opgenomen.
Tussen de waterkering aan de buitenzijde en de luchtdichting aan de binnenzijde dient een afstand van ten minste 15 mm te worden aangehouden. Verticaal gekoppelde kozijnen moeten bij overschrijding van de kozijnbreedtes zoals aangegeven in Tabel B ter plaatse van de koppelingen worden verankerd aan een achterliggende constructie (bijvoorbeeld een vloer of spant) of te worden verstijfd op basis van een constructieve berekening. Voor de plaats van de verankeringen aan het bouwkundig kader wordt verwezen naar paragraaf 11.6.5.
Tabel(len)
| Tabel B Relatie kozijnhoutafmetingen / kozijnbreedtes en verankeringen |
|
|---|---|
| Kozijnhoutafmetingen van de verticaal gekoppelde kozijnen | Maximale kozijnbreedte zonder verankering van de koppeling aan de achterliggende constructie |
| 66 x 90 mm | 1750 mm |
| 66 x 102 mm | 1900 mm |
| 66 x 114 mm | 2100 mm |
| 66 x 139 mm | 2350 mm |