11.5
Uitvoeringsvormen van kozijnen

11.5.1 Inmetselkozijnen

Bij inmetselkozijnen worden spouwlatten toegepast die als overgangselement dienen tussen kozijn en bouwkundig kader (zie tekening 11.B1.01). De omkanten van inmetselkozijnen dienen, in verband met de opname van spouwlatten en voor een juiste aansluiting op het bouwkundig kade, te worden geprofileerd.

11.5.2 Prefab betonnen wanden

Bij het monteren van kozijnen tegen prefab betonnen wanden worden, net als bij inmetselkozijnen, spouwlatten toegepast die als overgangselement dienen tussen kozijn en bouwkundig kader (zie tekening 11.B1.01). De omkanten van de kozijnen dienen, in verband met de opname van spouwlatten en voor een juiste aansluiting op het bouwkundig kader, te worden geprofileerd. In de spouwlatten kunnen voorzieningen opgenomen zijn voor het verankeren van de kozijnen tegen de prefab betonnen wanden.

11.5.3 Niet dragende houten binnenspouwbladen en Houtskeletbouw

Aansluitingen van kozijnen op niet dragende houten binnenspouwbladen en houtskeletbouw zijn afwijkend van de “standaard” inmetselkozijnen. In de tekeningen van de serie 11.B2 zijn enkele veelvoorkomende details weergegeven. Deze details zijn ook verwerkt in de SBR-Referentiedetails (SBRCURnet / ISSO).

11.5.4 Stelkozijnen (t.b.v. montage kozijnen)

Stelkozijnen worden toegepast voor het aanbrengen van montagekozijnen.
Voor renovatiekozijnen kunnen ook stelkozijnen worden toegepast (zie bijlage 11.B4).
Het stelkozijn dient als overgangselement tussen het kozijn en het bouwkundig kader (zie tekening 11.B1.02). De belastingen op het kozijn dienen naar het bouwkundig kader te worden overgebracht. De aansluiting van kozijnen op stelkozijnen dient aan elkaar te zijn aangepast. Bij de ontmoeting tussen stel- en kozijn mogen geen capillaire naden voorkomen.
In de aanslag van.het kozijn op het stelkozijn dient een duurzame waterdichting te worden opgenomen. De in de aansluiting op te nemen luchtdichting dient zoveel mogelijk aan de binnenzijde en in één vlak geplaatst te worden. Voor materiaaleisen en toepassingsvoorwaarden van waterdichtingen en luchtdichtingen wordt verwezen naar katern 40.

11.5.4.1 Bevestiging van het kozijn aan het stelkozijn

De belastingen op het kozijn dienen via het sponningstelsel en de bevestigingsmiddelen te worden overgebracht naar het stelkozijn. De bevestiging van het kozijn aan het stelkozijn dient uitgevoerd te worden met bevestigingsmiddelen of bevestigingssysteem. Voor toegepaste materialen (zie katern 37). Bij bevestiging moet voorkomen worden dat er koudebruggen ontstaan. Voorts dienen er maatregelen te worden genomen om te voorkomen dat kozijnonderdelen in de lengterichting vervormen als gevolg van het “aantrekken” van de verbindingsmiddelen.

11.5.4.2 Plaats van de bevestigingsmiddelen kozijn/stelkozijn

De plaats van de bevestiging van het kozijn op het stelkozijn is afhankelijk van de detaillering (glas, draaiend deel e.d.). Bevestigingsmiddelen mogen in de sponning of in de dag van het kozijn geplaatst worden.
De kozijnen dienen per stijl/dorpel ten minste op twee plaatsen aan het stelkozijn te worden bevestigd. De plaatsen van de verbindingsmiddelen zijn conform hetgeen is vastgelegd voor verankeringsmiddelen van kozijnen aan het bouwkundig kader (zie 11.6.6).
Bij het ontbreken van een onderdorpel van een stelkozijn dient de onderdorpel van het kozijn aan het bouwkundig kader verankerd te worden. De onderdorpel dient voldoende ondersteund te worden om doorbuigen te voorkomen.

KVT Index