3.1 Algemeen
Termen en definities hebben in algemene zin betrekking op kozijnen, het bouwwerk en het bouwproces.
3.2 Algemene termen en definities
| Benaming | Definitie |
| Aanslag | Contactoppervlak van het beweegbare deel met het omringend kader |
| Afdekking | Mechanisch bevestigd halfproduct waardoor ondergrond blijvend wordt beschermd |
| Afronding/afschuining van hoeken | Zie tekening 03.01 |
| Afwatering | Voorziening in een constructie waardoor ingedrongen water wordt afgevoerd |
| Beglazen | Het aanbrengen van ruiten van glas, inclusief de bevestigings- en afdichtingsmiddelen |
| Beluchting | Voorziening waardoor lucht in een deel van de constructie (bijvoorbeeld de sponning bij toepassing van glas) in verbinding staat met de buitenlucht |
| Bergingsdeurkozijn | Deurkozijn dat uitsluitend geschikt is voor de toepassing in een berging overeenkomstig de BRL 9021 “Houten buitenbergingen”. Voor overige bergingen zijn alle eisen in de BRL van toepassing. |
| Beweegbaar deel | Bouwkundig deel met het doel licht, lucht en/of personen door te laten |
| Bereikbaar element | Gevelelement geheel of gedeeltelijk gelegen vanaf het werkvlak wat bereikbaar is volgens NEN 5087 (Inbraakveiligheid van woningen) |
| Bouwkundig kader | Dat deel van het gebouw waarin of waartegen het kozijn aansluit |
| Concepten | De Concepten I t/m IV geven inzicht in de vijf opties voor het bestellen/leveren van houten gevelelementen voor uitwendige constructies van gebouwen: per optie zijn de inhoud van de concepten, de taken en verantwoordelijkheden tussen timmerfabriek en opdrachtgever duidelijk beschreven. |
| Dilatatievoeg | Uitzetvoeg: speling om krimp en uitzetting op te vangen (b.v. bij koppeling van kozijnen) |
| Expansieruimte | Ruimte welke noodzakelijk aanwezig is om krimp- en zwelgedrag van onderdelen mogelijk te maken |
| Gat (bij pen-en-gatverbinding) |
|
| Gesloten buitenbekleding | Buitenbekleding waardoor geen waterpenetratie door de bekleding zelf of door de aansluitingen kan plaatsvinden |
| Gevelelement | Het geheel van respectievelijk kozijn, raam, deur, paneel, borstwering, vakvulling etc. |
| Glaslijn | Denkbeeldige lijn deel uitmakend van een vlak in het gevelelement bepaald door: - de buitenzijde van het glasvlak; - verbindingslijnen tussen:
|
| Halfproduct | Toegeleverde producten ten behoeve van de opname in kozijnen of ramen, zoals bijvoorbeeld glas, aluminium profielen, houten glaslatten e.d. |
| Hefschuifdeur | Deur die eerst verticaal uit de dichting wordt getild, waarna de deur vervolgens schuivend geopend kan worden |
| Hefschuifvaldeur | Deur die eerst horizontaal uit de bovenzijde uit de sponning wordt getrokken, waarna de deur vervolgens schuivend geopend kan worden |
| Parallelschuifvaldeur | Deur die eerst in zijn geheel uit de sponning wordt getrokken, waarna de deur vervolgens schuivend geopend kan worden |
| Horizontale koppeling | Verbinding tussen twee naast elkaar geplaatste kozijnen |
| Inmetselkozijn | Kozijn dat vroeg in het bouwproces wordt geplaatst en dat eventueel de functie vervult als stelmaat voor het later aan te brengen metselwerk van het binnen- en/of van het buitenspouwblad |
| Inpandige woningtoegangsdeurkozijn | Deurkozijn dat een onderdeel is van de thermische schil van een woning waarbij het kozijn niet belast wordt door het buitenklimaat. Voor inpandige woningtoegangsdeuren mag de laagreliëfdorpel en/of laag gelegen houten onderdorpel worden vervangen voor een tijdelijke voorziening die zorgt voor een vormvast kader mits de prestaties aantoonbaar geborgd zijn. |
| Kalibreren (meetapparatuur) | Het bepalen van de waarde van de afwijking van een meetmiddel of referentiemateriaal ten opzichte van een van toepassing zijnde standaard en (indien noodzakelijk) het bepalen van andere metrologische eigenschappen |
| Kozijn | Vormvast kader samengesteld uit rand- en/of tussenstijlen, onder-, tussen- of bovendorpels van geprofileerd hout, met een onderverdeling die afhankelijk is van de gewenste toepassing. Een kozijn is de drager voor de in het kozijn aan te brengen vakvullingen en voorzieningen als: deuren, ramen, borstweringen, glas, panelen, ventilatievoorzieningen, bevestigingsmiddelen enz. Het kozijn is niet bedoeld om aan de stabiliteit van het bouwwerk bij te dragen en staat verticaal in de (hellende) gevel. Een kozijn heeft geen dragende functie |
| Mechanische eigenschappen | De eigenschappen die betrekking hebben op de sterkte en stijfheid van een materiaal, alsmede de weerstand tegen krassen, stoten, slijten en indrukken |
| Montagekozijn | Kozijn dat later in een prefab bouwelement of in de bouw tegen de daarvoor opgenomen producten wordt geplaatst. Voorbeelden van opgenomen producten zijn een stelkozijn of een aanslag met een vooraf vastgestelde maat- en vormvastheid |
| Neuthoogte (bij laagreliëfdorpels) | De maat die de neut boven het watergedragen vlak van de dorpel uitsteekt |
| Omringend kader | Deel van het kozijn met aanslag voor het beweegbaar deel |
| Open buitenbekleding | Buitenbekleding waarvan niet mag worden uitgegaan dat geen waterpenetratie door de bekleding zelf of door de aansluitingen kan plaatsvinden |
| Pen (bij pen-en-gatverbinding) |
|
| Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw | Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) nieuwbouw is een keurmerk voor nieuwe woningen die voldoen aan een aantal eisen op het gebied van inbraakpreventie (woningniveau) en sociale veiligheid (omgevingsniveau) |
| Politiekeurmerk Veilig Wonen Bestaande bouw | Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PKVW) bestaande bouw is een keurmerk voor bestaande woningen op woningniveau. De inrichting van wijken al langer geleden bepaald: de wijk bestaat al jaren, zodat ingrijpen kostbaarder wordt |
| Porring | Grootste afwijking van de denkbeeldige lijn tussen de einden van het segment of de einden van een boogvormige constructie. Zie tekening 03.02 |
| Raakhoek | Hoek van de raaklijn aan de kromme van een segment met de vezelrichting van het hout aan het einde van een segment. De raaklijn aan de kromme komt overeen met de loodlijn op het raakvlak. Zie tekening 03.02 |
| Raakvlak | Aansluitvlak tussen twee segmenten binnen een boogvormige constructie. Zie tekening 03.02 |
| Raam | Een raam is een vormvast kader samengesteld uit minimaal 2 stijlen, één onder- en één bovendorpel van geprofileerd hout. Dit raam is doorgaans de beweegbare omranding van een ruit |
| Raamdorpelsponning | Zie tekening 03.01 |
| Relatieve lucht vochtigheid | De verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp die in de lucht aanwezig is en de hoeveelheid waterdamp die de lucht onder gelijke omstandigheden voor temperatuur en druk kan bevatten |
| Roede | Tussenregel welke een onderverdeling vormt van het aanzicht van het glasvak (bij binnensponningen) |
| Roestvast staal | Corrosiebestendige staallegering |
| Ronde kant | Zie tekening 03.01 |
| Ruit | Glazen plaat, oorspronkelijk ruitvormig, thans gewoonlijk rechthoekig of vierkant, die in een kozijn, raam of (hef)schuifdeur wordt bevestigd. |
| Scharniersponning | Zie tekening 03.01 |
| Schuin kantje | Zie tekening 03.01 |
| Segment van een boogvormige constructie | Zie tekening 03.02 |
| Speling | Noodzakelijke ruimte tussen twee delen om de beweging van een of van beide delen mogelijk te maken |
| Sponning voor raamdorpelsteen of loodlatten | Zie tekening 03.01 |
| Sponningaanslag | Dat deel van de sponning dat evenwijdig is aan het vlak van het element waartegen producten (bijvoorbeeld glas) worden bevestigd of waartegen draaiende delen een aanslag vinden |
| Sponningbreedte, sponningdiepte, sponninghoogte, sponningaanslag | Zie tekening 03.01 |
| Stelkozijn | Kozijn dat vroeg in het bouwproces wordt geplaatst (en waartegen het metselwerk van het binnen- en van het buitenspouwblad wordt aangebracht) met het doel als aanslag en bevestigings- en stelmogelijkheid te dienen voor het later te plaatsen montagekozijn |
| Stellat | Lijnvormig element dat tijdens het bouwproces wordt geplaatst met het doel als aanslag en bevestigings- en stelmogelijkheid te dienen voor het later te plaatsen montagekozijn |
| Stelruimte | Ruimte welke noodzakelijk is om maattoleranties op te vangen tussen de verschillende onderdelen |
| Sterk geventileerde verticale luchtlaag | Luchtlaag in verbinding met de buitenlucht door middel van beluchtingsopeningen, aan de bovenzijde en aan de onderzijde (van een vakvulling), die tezamen een grotere doorsnede hebben dan 1000 mm² per m¹ gevellengte. |
| Stolpconstructie | Een constructie die toegepast wordt bij de aansluiting van twee openslaande ramen waarbij beide ramen gelijktijdig worden geopend. |
| Zwak geventileerde verticale luchtlaag | Luchtlaag in verbinding met de buitenlucht door middel van beluchtingsopeningen, aan de onderzijde (van een vakvulling), die tezamen geen grotere doorsnede hebben dan 1000 mm² per m¹ gevellengte |
| Thermisch verzinken | Het aanbrengen van een gesmolten metaal op metalen voorwerpen door onderdompeling of trommelen, gangbare laagdikte 50-60 μm. (Onjuiste benamingen zijn galvaniseren, vuurverzinken, volbadverzinken.) |
| Tongnaald | Een constructieonderdeel dat toegepast wordt bij de aansluiting (aanslag) van twee draaiende ramen. De ramen behoeven niet gelijktijdig geopend te worden |
| Vakvulling | Invulling van kozijnvak met glas, raam, (hef) schuifdeur, paneel e.d. ook wel vakvulling of dagkantvulling genoemd |
| Vellingkant | Schuin kantje aan een uitwendige hoek van een kozijnelement |
| Vensterbanksponning | Zie tekening 03.01 |
| Verticale koppeling | Verbinding tussen twee boven elkaar geplaatste kozijnen |
| Vouw-schuifdeur, Vouw-schuifraam | Combinatie van ramen of deuren waarbij de delen geheel of gedeeltelijk naar de zijkant van het kozijn geschoven kunnen worden |
| Warmtedoorgangs-coëfficiënt van een scheidingsconstructie (U) | De warmtestroom die in stationaire toestand door de scheidingsconstructie optreedt gedeeld door de geprojecteerde oppervlakte van de scheidingsconstructie en door het verschil in de omgevingstemperatuur aan weerszijden waarvan de genoemde warmtestroom het gevolg is |
| Warmtegeleidingscoëfficiënt van een materiaal (λ=lambda) | De warmtestroomdichtheid die in stationaire toestand in een materiaal optreedt gedeeld door de temperatuurgradiënt waarvan de genoemde warmtestroom het gevolg is |
| Warmteweerstand van een scheidings- constructie (Rc) | De reciproke waarde van de warmtedoorgangscoëfficiënt (U) van de scheidingsconstructie, verminderd met een waarde die afhankelijk is van de aard van de scheidingsconstructie en van de richting van de warmtestroom |
| Waterwerend membraan | Membraan dat toegepast wordt in dak- of gevelconstructies om het binnendringen van vocht in verblijfsgebieden, toilet- en badruimten te beperken. Er wordt onderscheid gemaakt in waterdichte, dampopen membranen en waterkerende, dampdoorlatende membranen (zie BRL 4708 delen 1 en 2) |
| Waterdicht, dampopen membraan (WDO membraan) |
Waterwerend membraan dat waterdicht en dampopen is voor toepassing in hellende daken en/of in gevels (zie BRL 4708 delen 1 en 2) |
| Waterkerend, damp-doorlatend membraan (WKD membraan) | Waterwerend membraan dat waterkerend en dampdoorlatend is voor toepassing in hellende daken en/of gevels (zie BRL 4708 delen 1 en 2) |
| Waterhol | Zie tekening 03.01 |
| Weerstandsklasse inbraakwerenheid | Gradatie genoemd in NEN 5096. Gevelelementen en onderdelen daarvan moeten in bepaalde situaties een bepaalde weerstand tegen inbreken bezitten. De eisen komen uit het Bbl |
| Zichtzijde | De in de eindsituatie in het zicht blijvende delen; hieronder worden niet de vlakken begrepen, die worden voorzien van een afdekking. |
3.3 Termen en definities, betrekking hebbend op hout
De termen en definities welke in Europees verband zijn vastgelegd o.a. in de series NEN-EN 844-1 t/m NEN-EN 844-12 zijn aangepast.
| Benaming | Definitie |
| Bladder | Een gedeeltelijk losgeraakte groeiring op het dosse vlak |
| Dark streak | Visueel zeer fijn, donker getint lijntje als uitloop vanuit ingegroeide bast/schors van onbepaalde lengte evenwijdig aan de vezelrichting en van onbepaalde breedte, parallel lopend met de groeiringen |
| Draadverloop | Het niet-evenwijdig lopen van de vezelrichting (draad) met de lengte-as van het hout Waardering van draadverloop: Zeer gering: draadverloop kleiner dan 1 : 15; Gering: draadverloop van 1 : 15 tot 1 : 10; Matig: draadverloop van 1 : 10 tot 1 : 7; Sterk: draadverloop van 1 : 7 of groter. |
| Draaigroei | Spiraalsgewijs verloop van de in de lengterichting liggende weefsels van een stam |
| Drukbreuk (de benaming ‘valbreuk’ is onjuist) | Een dwars op de vezelrichting verlopende breuk in het hout. |
| Duurzaamheid (met betrekking tot geveltimmerwerk) | De duurzaamheid van houtsoorten voor gevelelementen is de weerstand tegen houtaantastende schimmels die in Nederland in gevelelementen kunnen voorkomen. Het gaat hierbij om schimmels die tot de groepen witrot- en bruinrotschimmels behoren |
| Egaliseren | Het herstellen van kleine, oppervlakkige onvolkomenheden < 12 cm³ in geschaafd of reeds geverfd hout door deze op te vullen met een egalisatiemiddel |
| Evenwichtsvocht-gehalte | Het vochtgehalte waarbij hout geen vocht uit de omgeving opneemt, noch hieraan afgeeft |
| Gemodificeerd hout | Hout dat een behandeling heeft ondergaan waarbij celwandmateriaal op moleculair niveau is veranderd, zodanig dat, afhankelijk van de toegepaste modificatietechnologie, bepaalde eigenschappen van het hout, zoals duurzaamheid en vormstabiliteit worden verbeterd |
| Gelamineerd hout | Houten deel dat bestaat uit meerdere op elkaar gelijmde lagen hout met ongeveer parallel lopende vezels |
| Geoptimaliseerd hout | Het hout door lamineren en/of vingerlassen optimaliseren zodat er geen of onvolkomenheden voorkomen |
| Gevingerlast hout | Stuk hout dat uit twee of meer lengten met dezelfde doorsnede bestaat, waarbij de uiteinden met wigvormige vingers, die in elkaar passen, aan elkaar gelijmd zijn |
| Groeiringbreedte | De breedte van de per groeiperiode gevormde hoeveelheid hout |
| Harszak | Lensvormige opening in het hout waarin hars voorkomt of voorgekomen is |
| Hart | Het primaire weefsel waaromheen de groeiringen zijn gevormd |
| Houtvochtgehalte | Massa van het in het hout aanwezige water, uitgedrukt in een percentage van de massa van het absoluut droge hout |
| Ingegroeide bast en/of schors | Bast en/of schors die gedeeltelijk is opgesloten in het hout |
| Kernvochtgehalte | Het vochtgehalte in het midden van de doorsnede van een stuk hout |
| Krimpcoëfficiënt | Krimp in een opgegeven anatomische richting per puntprocent vermindering in vochtgehalte |
| Kruisdradigheid | Draadverloop in het tangentiale vlak dat in de radiale richting al of niet geleidelijk van richting wisselt |
| Kwast (noest) | Het gedeelte van een tak dat met de stam is vergroeid |
| Pinholes | Boordergang gewoonlijk niet groter dan 2 mm in doorsnede veroorzaakt door nathoutboorder |
| PHND Pinholes no defect | Niet als onvolkomenheid aan te duiden. Handelskwaliteit aanduiding en veel gebruikte term bij o.a. de houtsoort meranti |
| Randvochtgehalte | Vochtgehalte van het hout in het gebied in de houtdoorsnede ter dikte van 1/4 van de totale dikte c.q. breedte van de houtdoorsnede |
| Repareren | Het herstellen van onvolkomenheden in geschaafd hout die niet voldoen aan de omschrijving voor egaliseren (> 12 cm³) |
| Scheur | In de vezelrichting lopende verbreking tussen de vezels |
| Schimmel(aantasting) | Schimmelgroei met een wollig of poederachtig aanzien, dat kan ontstaan op het oppervlak van hout in een vochtig klimaat, te onderscheiden in twee hoofdgroepen, blauwverkleuring en bruine tot rode verkleuring |
| Spint | Het buitenste deel van het hout dat, in de staande boom, levende cellen bevat en waarin zich de sapstroom beweegt |
| Vezelverzadigingspunt | Toestand van een stuk hout waarbij de celwanden met water zijn verzadigd, maar waarbij in de celholten geen water aanwezig is |
| Volumieke massa | De verhouding van de massa tot het volume, beide gemeten bij eenzelfde op te geven vochtgehalte. Voor de meeste houtsoorten kan als vuistregel worden aangenomen dat per 4% vochtverschil de volumieke massa met 10 kg/m³ kan toenemen of afnemen |
| Vulmiddel | Middel bedoeld voor egaliseren, injecteren of repareren |
| Wan | Deel van het stamoppervlak, met of zonder schors, op één zijde of hoek van gekantrecht hout. |
3.4 Termen en definities, betrekking hebbend op afwerking
| Benaming | Definitie |
| Afwerking | Bestaat uit minimaal twee in de timmerfabriek aangebrachte grondlagen waarop in de timmerfabriek of een voorlaklaag of een aflaklaag wordt aangebracht of waarop later een aflaklaag wordt aangebracht ter bescherming van het oppervlak van het hout tegen weersinvloeden |
| Aflaklaag | In de fabriek of op de bouwplaats aangebrachte verflaag voor een duurzame bescherming van het oppervlak van het hout |
| Voorlaklaag | In de fabriek aangebrachte verflaag tussen de grondlagen en aflaklaag zodat op de bouwplaats in één keer kan worden afgelakt. De kleur wijkt bij voorkeur licht af van de aflaklaag. |
| Binnenwerk | Alle niet aan het buitenklimaat blootgestelde constructies |
| Blindwerk | Niet in het zicht komende delen van geveltimmerwerk, behalve voor zover reeds genoemd onder buitenwerk |
| Buitenwerk | Alle aan het buitenklimaat blootgestelde delen van de constructies: de (glas-)sponningen en de aanslagen van de kozijnen en van naar buiten draaiende ramen en deuren, de onderzijden van dorpels en omkanten van naar buiten draaiende ramen en deuren |
| Drogen of droging | Onder geconditioneerde omstandigheden verdampen van het oplosmiddel en doordrogen van de verflaag |
| Flash-off (vloeitijd) | De tijd die verf direct na het aanbrengen nodig heeft om de ingesloten lucht door de applicatie (flowcoaten, spuiten) uit de verflaag te laten ontsnappen en uit te vloeien tot een ‘strakke’ laag |
| Flowcoaten/sproeien | Het overvloedig opbrengen van een verlaag op het product waarbij het teveel opgebrachte materiaal in het systeem wordt teruggewonnen en hergebruikt |
| Grondverflaag | Verflaag welke in de fabriek wordt aangebracht en het timmerwerk beschermt gedurende de bouwfase (max. 3 - 6 maanden). Er worden altijd minimaal twee grondverflagen aangebracht door spuiten of flowcoaten en spuiten |
| Laagdikte | Rekenkundig gemiddelde van een aantal metingen van dikte van één of meer verflagen op hout (de verf in de poriën wordt niet meegerekend), te onderscheiden in:
|
| Oplosmiddelhoudende verf | Verfsoorten waar het bindmiddel zich in het oplosmiddel (terpetine/white spirit) bevindt, zodat deze verven met oplosmiddel afgedund dienen te worden. Het bindmiddel is een alkydhars |
| Watergedragen verf | Verfsoorten waar het bindmiddel zich in het water bevindt, zodat deze verven met water afgedund dienen te worden. Het bindmiddel is een acrylaat, alkyd of combinaties hiervan (hybride). |
3.5 Termen en definities, betrekking hebbend op beglazen
| Benaming | Definitie |
| Aanslag | Het verschil tussen de sponninghoogte en omtrekspeling aanslagzijde wand van de sponning, evenwijdig aan het glasvlak van de ruit. |
| Afwaterend kitten | Kit zodanig aanbrengen dat er geen water op kan blijven staan. |
| Beglazen | In een raamwerk aanbrengen van ruiten, bevestigings- en afdichtingsmiddelen. |
| Beglazing | Het geheel van sponningen, ruiten, bevestigings- en afdichtingsmiddelen. |
| Beglazingsblokje | Blokje voor het stellen en steunen van de ruit. |
| Beglazingsprofiel | In het raamwerk aan te brengen aluminium profiel waardoor de sponning geschikt wordt gemaakt voor het beglazen bij binnenbeglazing |
| Beglazingssysteem | Stelsel, volgens welke de beglazing is ontworpen |
| Beluchtingsopening | Ventilatiegat. Opening waardoor de lucht in de sponning in verbinding staat met de buitenlucht |
| Binnenbeglazing | Beglazen van binnenuit. Beglazingsmethode waarbij de glaslatten aan de binnenzijde worden geplaatst. |
| Buitenbeglazing | Beglazen van buitenaf. Beglazingsmethode waarbij de glaslatten aan de buitenzijde worden geplaatst. |
| Condensprofiel | Verdampingsgoot. Profiel om eventueel condensvocht van de ruit op te vangen. |
| Drukvereffenend beglazingssysteem | Belucht (ontlucht) beglazingssysteem Beglazingssysteem waarbij vocht wordt gekeerd door een niet volledig van de buitenlucht afsluitende barrière aan de buitenzijde en waarbij wind wordt gekeerd door een lucht- en waterdichte barrière aan de binnenzijde en de omtrekspeling in open verbinding staat met de buitenlucht. |
| Gelaagd glas | Glasblad bestaande uit twee of meer glasplaten, samengesteld door één of meer tussenlagen. |
| Glasblad | Glasvlak van enkelglas of gelaagd glas |
| Glaslat | Houten profiel, dat zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde kan worden toegepast om het glas in de sponning op zijn plaats te houden |
| Hechtvlak | Deel van de voegwand waartegen hechtend afdichtingsmateriaal wordt aangebracht. |
| Hielafdichting | Elastische kit, die bij binnenbeglazing als waterkering tussen glaslat en sponningbodem wordt aangebracht. |
| Isolatieglas | Vlakglas bestaande uit twee of meer glasbladen met een spouw daartussen. |
| Kit | Kit die na het aanbrengen in belangrijke mate elastische eigenschappen behoudt |
| Neuslat | Lat toegepast bij buitenbeglazing aan de onderzijde of bij de tussendorpel van het kozijn om een ventilerende en afwaterende ruimte mogelijk te maken tussen de glaslat en de sponning. De neuslat behoort zo breed te zijn dat deze de gehele sponningbreedte afdekt inclusief een klein gedeelte van het verticale sponninggedeelte. |
| Neuslatblokje | Blokje dat dient om de glaslat bij het beglazen van buitenaf vrij te houden van de onder- of tussendorpel om een ontluchtingsspleet te creëren. |
| Omtrekspeling | Noodzakelijke ruimte tussen glasrand en sponningbodem, aanwezig bij alle zijkanten van de ruit. |
| Opdammen | Waterdicht afsluiten van de uiteinden van de verdampingsgoot. |
| Randverbinding | Constructie die de glasbladen van het isolatieglas op afstand houdt en de spouw hermetisch afsluit. |
| Rugvulling | Celband. Vervormbaar, bandvormig hulpmiddel toegepast om de diepte en breedte van de topafdichting in te stellen en tevens om de topafdichting (kit) te scheiden van de bodem van de sponning. |
| Ruit | Glas. Enkelglas, gelaagd glas of isolatieglas met vlakken die parallel, nagenoeg parallel of gemiddeld parallel zijn |
| Sponning | Glassponning. Deel van het raamwerk dat dient om de ruit, bevestigings- en afdichtingsmiddelen op te nemen. |
| Stelblokje | Blokje dat in de sponning aan de zijkant en/of bovenkant van de ruit wordt bevestigd ter voorkoming dat de ruit met de sponningbodem in aanraking komt. |
| Steunblokje | Blokje waarmee de ruit bij plaatsing wordt ondersteund of gesteund. |
| Topafdichting | Afdichting van kit tussen kozijn / glaslat / beglazingsprofiel en de ruit aangebracht op een rugvulling. |
| Ventilatierooster | Element voorzien van (afsluitbare) openingen ten behoeve van de ventilatie van de ruimte. |
| Zijvoegkit | De randafdichting van het isolatieglas tussen de zijkanten van de afstandhouder en de binnenkant van de glasbladen die dient als waterdampbarriere. |
3.6 Termen en definities, betrekking hebbend op hang- en sluitwerk
| Benaming | Definitie |
| Bedieningsgemak | De eenvoudige, zonder krachtsinspanning bediening van b.v. deurkruk en raamboompje aangebracht tussen de aangrijphoogte ≥ 900 - ≤ 1400 mm. |
| Cilinderslot | Een slotmechanisme bestaande uit een cilinder en een behuizing. Stiften, plaatjes of kogeltjes blokkeren de cilinder zo lang de bijpassende sleutel niet in het slot is gestoken. Alleen als de juiste sleutel in de cilinder wordt gestoken kan deze worden gedraaid in de behuizing, waarmee het slot geopend of gesloten wordt |
| Dagschoot | Schoot ten behoeve van het sluiten, voorzien van één kerende en één afgeschuinde zijde voor het inlopen |
| Draaivalbeslag | Samengesteld hang- en sluitwerk waarbij een geïntegreerde draai- en klepstand van het raam mogelijk is |
| Geborgde pen | Pen in scharnier die als gevolg van de draaiing niet in de lengterichting wordt verplaatst |
| Gesloten stand | Stand van het beweegbaar deel ten opzichte van het omringende kader waarin het beweegbare deel over de gehele aanslag aanligt |
| Hangnaad | Ruimte tussen raam of deur en sponning aan de scharnierzijde |
| Inbouwespagnolet | Inbouwmechanisme met één bedieningspunt en met meerdere sluitpunten, aan één zijde ingelaten in het beweegbare deel |
| Insteekslot | Slot dat wordt ingebracht in het beweegbare deel |
| Kier | Vanaf beide zijden gezien een "open" ruimte tussen het beweegbare deel en het omringende kader |
| Meerpuntssluiting | In het beweegbaar deel ingelaten mechanisme met één bedieningspunt met slot en meer dan twee sluitpunten |
| Nachtschoot | Schoot ten behoeve van het afsluiten |
| Opbouwespagnolet | Opbouwmechanisme met één bedieningspunt en met twee sluitpunten |
| Open stand | Stand van het beweegbare deel ten opzichte van het omringende kader waarin het beweegbare deel niet over de gehele aanslag aanligt |
| Rolschoot | Dagschoot zonder weerstand tegen openduwen, slechts bedoeld voor het fixeren van een beweegbaar deel in de gesloten positie |
| Rondomsluiting | Mechanisme met één bedieningspunt en met meer dan twee sluitpunten, aan meer dan één zijde ingelaten in het beweegbare deel |
| Schoot | Voorziening in een slot ten behoeve van het sluiten en/of afsluiten van het beweegbare deel |
| Sluitkast | Schootvanger die de schoot geheel omvat en die bedoeld is om te worden bevestigd op de constructie |
| Sluitkom | Schootvanger die de schoot geheel omvat en die bedoeld is om te worden ingelaten in een omhullende uitsparing |
| Sluitnaad | Ruimte tussen raam of deur en de sponning aan de sluitzijde |
| Sluitplaat | Schootvanger in de vorm van een metalen plaat, voorzien van gaten en al dan niet voorzien van een kortere of langere "lip", bedoeld als "geleiding" voor het inlopen van de dagschoot van het slot |
3.7 Termen en definities, betrekking hebbend op sterkte- en stijfheidsberekeningen
| Benaming | Definitie |
| Bebouwde omgeving | Aanduiding van de aard van het omliggende terrein in een sector, een en ander conform Nationale Bijlage van NEN-EN 1991-1-4. |
| Buigspanning | Een gecombineerd optredende trek-drukspanning in een op buiging belaste balk. |
| Buigsterkte | De buigspanning op het moment van breuk |
| Drukspanning | De optredende spanning indien een staaf in zijn lengterichting wordt gedrukt |
| Druksterkte | De drukspanning op het moment van bezwijken van het houtweefsel |
| Elasticiteitsmodulus | Een evenredigheidsconstante die de verhouding aangeeft tussen de in het materiaal opgewekte spanning en de ten gevolge van deze spanning ontstane relatieve vervorming binnen het elasticiteitsgebied. In de praktijk wordt de elasticiteitsmodulus berekend uit de in een buigproef uitgeoefende kracht, de daarbij optredende doorbuiging, de opleglengte en de doorsnede van de balk |
| Onbebouwde omgeving | Aanduiding van de aard van het omliggend terrein in een sector, een en ander conform Nationale Bijlage van NEN-EN 1991-1-4 |
| Ruwheidslengte | Maat voor de ruwheid van het terrein ten aanzien van de wind, een en ander conform Nationale Bijlage van NEN-EN 1991-1-4 |
| Schuifspanning | De spanning in een afschuifvlak veroorzaakt door een schuivende kracht |
| Sector | Onderdeel van het terrein rondom een bouwwerk, dat zich over een hoek van circa 90 graden rondom het bouwwerk uitstrekt tot een afstand tussen 10 maal de bouwwerkhoogte en ten hoogste 1 km, een en ander conform Nationale Bijlage van NEN-EN 1991-1-4 |
| Spanning | In het inwendige van het materiaal optredende krachten als gevolg van het belasten van het materiaal |
| Splijtsterkte | De kracht die nodig is om een stuk hout door tegengestelde, loodrecht op de vezelrichting werkende trekkrachten te doen splijten |
| Sterkte | De maximale spanning die het materiaal kan weerstaan, of anders gezegd, de spanning op het moment van breuk |
| Toelaatbare spanning | De maximale spanning in een materiaal voordat breuk ontstaat, rekening houdend met de veiligheidscoëfficiënt |
| Vervorming | Andere, afwijkende vorm dan oorspronkelijk bedoeld zoals scheluwte, kromming (hol of bol) en uit de haak. |
3.8 Definities in het kader van de CPR
| Benaming | Definitie |
| Bouwproduct | Elk product of kit dat wordt vervaardigd en in de handel wordt gebracht om blijvend te worden verwerkt in bouwwerken of delen ervan en waarvan de prestaties gevolgen hebben voor de prestaties van het bouwwerk met betrekking tot de fundamentele eisen voor bouwwerken |
| CPR 305/2011/EU | Construction Products Regulation / Europese Verordening Bouwproducten |
| DoP | Declaration of Performance / prestatieverklaring |
| EAD | European Assessment Document / Europees Beoordelingsdocument |
| EER | Europese Economische Ruimte (30 landen); België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Zweden |
| Essentiële kenmerken | Kenmerken die worden vastgelegd in de geharmoniseerde technische specificaties met betrekking tot de 7 fundamentele eisen voor bouwwerken |
| ETA | European Technical Assessment / Europese Technische beoordeling |
| Europees beoordelings document | Een document dat door de organisatie van TBI’s is vastgesteld met het oog op afgifte van Europese technische beoordelingen |
| Europese technische beoordeling | De gedocumenteerde beoordeling van de prestaties van een bouwproduct, met betrekking tot de essentiële kenmerken daarvan, overeenkomstig het desbetreffende Europese beoordelingsdocument (ETA) |
| Fabrikant | Een natuurlijke of rechtspersoon die een bouwproduct vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen en dat product onder zijn naam of merknaam verhandelt |
| Geharmoniseerde Europese norm | Een norm die door één van de in bijlage I bij Richtlijn 98/34/EG genoemde Europese normalisatie-instellingen is vastgesteld op grond van een verzoek dat door de Commissie overeenkomstig artikel 6 van die richtlijn is ingediend |
| Geharmoniseerde technische specificaties | Geharmoniseerde normen en Europese beoordelingsdocumenten |
| h’EN | Geharmoniseerde Europese productnorm |
| Gemachtigde | Een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens hem op te treden met betrekking tot bepaalde taken |
| Importeur | Een in de Unie gevestigd natuurlijk persoon of rechtspersoon die een bouwproduct uit een derde land op de uniale markt in de handel brengt |
| Kit | Een bouwproduct dat door één fabrikant in de handel wordt gebracht met ten minste twee afzonderlijke componenten die gecombineerd moeten worden om in het bouwwerk te worden verwerkt |
| KOMO | Kwaliteitskeurmerk voor bouw en infra |
| Marktdeelnemer | De fabrikant, de importeur, de distributeur of de gemachtigde |
| NPD | No Performance Determined / geen prestatie bepaald |
| Notified Bodies | Door de lidstaten aangemelde instellingen voor het keuren van bouwproducten ten behoeve van de CE-markering |
| Prestaties van een bouwproduct | De prestaties met betrekking tot de essentiële kenmerken, uitgedrukt in niveau of klasse of op beschrijvende wijze |
| Prestatieverklaring | Declaration of Performance (DoP) |
| TAB’s / (TBI’s) | Technical Assessment Bodies / Technische Beoordelingsinstanties |