Als de oppervlaktebescherming door derden wordt aangebracht dienen alle materialen en (half)producten te voldoen aan de materiaal-eisen van de KVT.
36.11.1 Cross-branding
Onder cross-branding wordt verstaan het combineren (cross) van KOMO® gecertificeerde verfsystemen van verschillende verffabrikanten (branding). Er zijn hierbij verschillende situaties mogelijk. Hieronder is per situatie uitgelegd welke aanvullende maatregelen door de timmer- en deurenindustrie genomen moeten worden en in welk geval een systeem opgewaardeerd te noemen is.
Situatie I:
De timmer- en deurenindustrie koopt onderdelen in die zijn voorzien van een gecertificeerd grondverf-, of voorlaksysteem en brengt deze op kleur door ze mee te laten lopen met de laatste applicatie gang van het eigen applicatie proces. Concept I blijft Concept I en Concept II blijft Concept II.
In geval van situatie I, dient de timmer- en deurenindustrie conform de gebruikelijke frequentie, zoals weergegeven in katern 75, paragraaf 5.5, de hechting te beproeven na het verstrijken van het kritische droogtraject. De hechting dient klasse 1 of beter te zijn.
Situatie II:
De timmer- en deurenindustrie koopt onderdelen in die zijn voorzien van een gecertificeerd grondverfsysteem en wil deze opwaarderen naar Concept II of Concept III. Het gebruikte grondverfsysteem en de voorlak of aflak zijn van dezelfde verfleverancier en komen als systeem voor op het BRL 0817 certificaat van de verfleverancier. Concept I wordt Concept II of Concept III.
In geval van situatie II, dient de timmer- en deurenindustrie conform de gebruikelijke frequentie, zoals weergegeven in katern 75, paragraaf 5.5, de hechting te beproeven na het verstrijken van het kritische droogtraject. De hechting dient klasse 1 of beter te zijn.
Situatie III:
De timmer- en deurenindustrie koopt onderdelen in die zijn voorzien van een gecertificeerd grondverfsysteem en wil deze opwaarderen naar Concept II of Concept III. Het aanwezige grondverfsysteem en de gebruikte voorlak of aflak zijn van verschillende verffabrikanten en zijn als zodanig niet getoetst aan de eisen uit BRL 0817. Concept I wordt Concept II of Concept III.
In geval van situatie III dient de timmer- en deurenindustrie aan te tonen dat het op locatie A aangebrachte grondlaksysteem van verffabrikant X in combinatie met de op locatie B aangebrachte laag/lagen van verffabrikant Y voldoen aan de eisen zoals opgenomen in de BRL 0817 en dient hiervoor het protocol zoals opgenomen in de SKH-publicatie 06-03 te volgen. De testen dienen uitgevoerd te worden door een onafhankelijk en ter zake kundig laboratorium. Daarnaast dient de timmer- en deurenindustrie conform de gebruikelijke frequentie, zoals weergegeven in katern 75, paragraaf 5.5, de hechting te beproeven na het verstrijken van het kritische droogtraject. De hechting dient klasse 1 of beter te zijn.
Situatie IV:
De timmer- en deurenindustrie koopt onderdelen in die zijn voorzien van een gecertificeerd voorlaksysteem en wil dit opwaarderen tot aflaksysteem. Concept II wordt Concept III.
In geval van situatie IV geldt, dat wanneer de timmer- en deurenindustrie gebruik maakt van een aflak van dezelfde verfleverancier als het ingekochte voorlaksysteem en het totaal als systeem voorkomt op het BRL 0817 certificaat van de verfleverancier. De timmer- en deurenindustrie conform de gebruikelijke frequentie, zoals weergegeven in katern 75, paragraaf 5.5, de hechting beproeft na het verstrijken van het kritische droogtraject. De hechting dient klasse 1 of beter te zijn.
Wanneer de timmer- en deurenindustrie in situatie IV gebruik maakt van een aflak van een andere verfleverancier, dan waar het voorlaksysteem mee is gespoten, dient wekelijks de verfhechting gecontroleerd te worden conform katern 75, paragraaf 5.5. De hechting wordt bepaald na het verstrijken van het kritische droogtraject en dient klasse 1 of beter te zijn