Buitenbekledingen voor opgebouwde vakvullingen kunnen worden samengesteld uit zijdelings aaneengesloten geprofileerde delen, die zowel horizontaal, verticaal als onder een hoek kunnen worden geplaatst.
In dit hoofdstuk zijn de materiaaleisen, uitvoeringseisen en bevestigingseisen vastgelegd voor geprofileerde houten delen.
21.2.1 Materiaaleisen geprofileerde houten delen
Eisen met betrekking tot houtvochtgehalte, toelaatbaarheid van onvolkomenheden en gevingerlast hout zijn eveneens vastgelegd in katern 31.
N.B.
- Het gebruik van merbau wordt afgeraden vanwege het bloeden van het hout.
- Uit onbehandeld western red cedar gespoelde gekleurde inhoudsstoffen kunnen op onderliggend (licht gekleurd) metselwerk vlekken/strepen achterlaten.
21.2.2 Uitvoeringseisen geprofileerde houten delen
Als buitenbekleding voor opgebouwde vakvullingen zijn de volgende uitvoeringsvormen toegestaan:
- verticaal of onder een hoek te plaatsen halfhoutse delen (channelsiding);
- horizontaal te plaatsen halfhoutse delen (rabatdelen);
- horizontaal te plaatsen schuin doorgezaagde delen (Zweeds-rabat en bevelsiding).
21.2.2.1 Minimale dikten
*Halfhoutse delen van naaldhout dienen tenminste 19 mm dik te zijn, echter voor de houtsoorten redwood en western red cedar is een minimale dikte van 16 mm toelaatbaar.
Halfhoutse delen van loofhout dienen tenminste 16 mm dik te zijn.
Schuin doorgezaagde delen dienen een dunne zijde te hebben van ten minste 4 mm en een dikke zijde van ten minste 16 mm.
21.2.2.2 Maximale netto maat
*Voor het begrip ‘netto maat’ wordt verwezen naar de tekeningen 21.01 tot en met 21.03.
De maximale netto maat van halfhoutse delen bedraagt 132 mm.
De maximale netto maat van schuin doorgezaagde delen bedraagt:
- 170 mm voor Californian redwood en Western red cedar;
- 132 mm voor de overige toegestane houtsoorten.
21.2.2.3 Onderlinge aansluiting
*Bevelsiding dient geplaatst te worden met een overlap van ten minste 25 mm.
De onderlinge aansluiting van halfhoutse delen c.q. Zweeds rabat dient als een halfhoutse overlap te zijn uitgevoerd, waarbij de maatvoeringseisen met betrekking tot de overlap, sponningbreedte, expansieruimte en vrije tussenruimte zijn weergegeven in de tekeningen 21.01 tot en met 21.03.
21.2.2.4 Overige vereiste profileringen
- Wanneer de houten delen (met uitzondering van fijnbezaagde delen) van een filmvormende afwerklaag worden voorzien, dienen de uitwendige hoeken afgerond te worden met een straal van tenminste 3 mm.
- Bij horizontaal te plaatsen halfhoutse delen dienen horizontale vlakken aan de buitenzijde, waarop water kan blijven staan, onder een hoek van tenminste 15° naar buiten toe te worden afgeschuind.
- Verticaal en onder een hoek te plaatsen halfhoutse delen dienen aan de achterzijde te zijn voorzien van tenminste één ventilatie-/afwateringssleuf van tenminste 3 mm diep. De afmetingen van de sleuf dienen te zijn afgestemd op de vereiste mate van ventilatie van de luchtspouw direct achter de delen (zie katern 16). De sleuf kan achterwege blijven als maatregelen zijn genomen die een andere manier van ventilatie/afwatering direct achter de delen mogelijk maakt.
Opmerking
Fijnbezaagde delen zijn houtdelen waarvan de zichtzijde op maat is gezaagd door een herbandzaagmachine.
21.2.2.5 Afdichting van kopse kanten/oppervlaktebescherming
*De kopse kanten van de houten delen dienen te worden afgedicht conform katern 44. Eisen met betrekking tot de oppervlaktebescherming zijn vastgelegd in katern 36.
21.2.3 Bevestigingseisen geprofileerde houten delen
Geprofileerde houten delen dienen te worden bevestigd met schroeven (lenskop of bolkop) of nagels van rvs. Het gebruik van nieten is niet toegestaan. De lengte van schroeven dient ≥ 2 x de dikte van het houten deel te zijn. Voor nagels geldt een minimale lengte ≥ 2,5 x de dikte van het houten deel.
Geprofileerde houten delen worden (om scheurvorming van de delen te voorkomen) in de doorsnede met één bevestigingsmiddel tegen het achterliggend hout bevestigd. De plaats van het bevestigingspunt dient te voldoen aan de maat zoals in de betreffende tekeningen is aangegeven.
De hart-op-hart afstand van de bevestingsmiddelen bedraagt ≤ 600 mm.
Bij de uiteinden van de delen bedraagt de randafstand van de bevestigingsmiddelen ≥ 20 mm en ≤ 25 mm.