19.7
Voorwaarden per onderdeel

19.7.1 Kozijnen met vast glas

Voor kozijnen met vast glas mag de straal van de binnenronding niet kleiner zijn dan 400 mm. Voor het plaatsen van glas of een andere vakvulling bij een boogvormige onderdorpel, moet een binnensponning toegepast worden.

De dagkant aan de buitenkant van een boogvormige onderdorpel moet op het laagste deel over een afstand van 400 mm afwaterend zijn. Binnen deze 400 mm mag geen langsverbinding voorkomen.

19.7.2 Kozijnen met beweegbare delen

Voor kozijnen met beweegbare delen wordt de straal van de dagmaat bepaald door de kleinst mogelijke toelaatbare straal van het beslag en mag niet kleiner zijn dan 200 mm. De aanslag met het raam moet altijd worden voorzien van een rondgaande dichting.

Voor het toepassen van beweegbare delen bij een boogvormige onderdorpel moet een binnensponning toegepast worden.

De dagkant aan de buitenkant van een ronde onderdorpel moet op het laagste deel over een afstand van circa 400 mm afwaterend zijn. Binnen deze 400 mm mag geen langsverbinding voorkomen.

19.7.3 Beweegbare delen

Bij toepassing van (rondgaand) beslag wordt de buitenstraal bepaald door de kleinst mogelijk toelaatbare straal van het beslag. Indien het armschaven van een draairaam leidt tot onvoldoende aanslag in de sponning (< 7 mm), moet hiervoor een maatregel worden genomen. Deze maatregel kan bestaan uit het aftoppen van het raam of van het kozijn. Het aftoppen bestaat uit:

  • óf het raam afvlakken aan de bovenzijde (horizontaal vlak aanbrengen);
  • óf een vulstuk opnemen in de dag van het kozijn.
KVT Index