16.2
Samenstelling van een opgebouwde vakvulling

Hierna wordt omschreven hoe vakvullingen in combinatie met de toe te passen materialen dienen te worden opgebouwd. De tekeningen 16.01 tot en met 16.06 geven principes aan van een opgebouwde vakvulling.

16.2.1 Buitenbekleding

Voor buitenbekledingen voor opgebouwde vakvullingen wordt verwezen naar katern 21.
Afhankelijk van de aansluiting van de omranding van de buitenbekleding met het aansluitende kozijnhout wordt er onderscheid gemaakt in "gesloten buitenbekleding" en "open buitenbekleding".

16.2.1.1 Gesloten buitenbekleding

Bij een gesloten buitenbekleding dient de ruimte tussen buitenbekleding en kozijn afgedicht te worden met glaslatten en een neuslat. Zie tekening 16.04. De omtrekspeling van de buitenbekleding in het element dient ten minste 4 mm te zijn of conform voorschrift van de fabrikant/leverancier.
Gesloten buitenbekleding wordt op de zelfde wijze opgesloten als buitenbeglazing. Zie katern 12 (tenzij in de verwerkingsvoorschriften anders wordt aangegeven). Indien een droog beglazingssysteem wordt voorgeschreven, moeten geborgde beglazingsrubbers worden toegepast.

16.2.1.2 Open buitenbekleding

Bij een open buitenbekleding wordt er ruimte gehouden tussen de buitenbekleding en het kozijn. Deze ruimte wordt niet afgedicht. Bij de toepassing van een open buitenbekleding moet de omranding, in verband met onderhoud, ≤ 10 mm worden vrijgehouden van het aansluitende kozijnhout. De omkanten van triplex en houtachtige materialen dient te worden voorzien van ronde kanten. De omkanten van de overige (plaat)materialen moet worden afgewerkt overeenkomstig de verwerkingsvoorschriften van de leverancier/fabrikant.

Indien aan de bovenzijde kans op inwateren ontstaat, dient hiervoor een voorziening te worden aangebracht b.v. door de bovenzijde 15 graden af te schuinen of door het aanbrengen van een lekdorpelprofiel. Zie tekening 16.05.

16.2.2 Luchtspouw achter de buitenbekleding

In de regel dient direct achter de buitenbekleding een luchtspouw aanwezig te zijn van ≥ 13 mm breed. Voor de volgende situaties geldt een afwijkende maat:

  • bij een gesloten buitenbekleding met kunststofplaten dient de breedte van de luchtspouw uitgevoerd te worden conform de verwerkingsvoorschriften van de leverancier;
  • bij een gesloten buitenbekleding met plaatmateriaal anders dan kunststof in combinatie met toepassing van isolatiemateriaal van schuimplaten kan worden volstaan met een luchtspouwbreedte van ≥ 10 mm.

De luchtspouw dient geventileerd te worden. De ventilatie komt tot stand door openingen aan de onder- en bovenzijde in de constructie te maken.

We onderscheiden hierbij:

  • Zwak geventileerd: bij een zwak geventileerde luchtspouw dient het gezamenlijk oppervlak van de openingen groter dan 500 mm² maar kleiner dan 1500 mm² per m¹ vakvulling te zijn;
  • Sterk geventileerd: bij een sterk geventileerde luchtspouw moet het oppervlak van de openingen groter zijn dan 1500 mm² per m¹ gevellengte vakvulling, waarbij geldt dat een ventilatieopening ten minste 200 mm² dient te zijn.

De kleinste maat van één ventilatieopening dient ten minste 3 mm te zijn.

16.2.3 Bevestigingsregels

De bevestigingsregels voor de buitenbekleding dient te voldoen aan de kwaliteitseisen voor hout zoals omschreven in  katern 31. Eisen met betrekking tot de oppervlaktebescherming zijn opgenomen in katern 36. De kopse kanten van het hout dienen te worden afgedicht conform katern 44. De h.o.h. afstand van de regels dient in overeenstemming met de materiaal- en verwerkingsvoorschriften van de leverancier te zijn. In de praktijk zal dit tussen de 400 en 600 mm zijn.

Bevestigingsregels dienen aan de bovenzijde onder een hoek van ten minste 15° (maximaal 30°) naar buiten toe te worden afgeschuind. Indien er geen glaslatten worden toegepast (b.v. bekleding met plaatmateriaal) dan dienen de verticale vullatten door te lopen.

De bevestigingsregels over de gehele lengte ondersteunen met achterliggend vulhout en deze met roestvaststalen bevestigingsmiddelen verbinden. De hart-op-hart afstand voor de schroeven en draadnagels is ≤ 300 mm en voor nieten ≤ 200 mm.

16.2.4 Waterkerende, dampdoorlatende laag

Voor waterkerende, dampdoorlatende membranen wordt verwezen naar  katern 41.

16.2.5 Vulhout

Vulhout moet voldoen aan de kwaliteitseisen voor hout zoals omschreven in  katern 31. Eisen met betrekking tot de oppervlaktebescherming van het hout zijn vastgelegd in katern 36. Vulhout dient aan het kozijnhout te worden gelijmd. Indien dit niet het geval is, b.v. bij een koude aansluiting van hout op hout is een kitzoom aan de buitenkant vulhout/kozijn als luchtdichting toelaatbaar. De luchtdichting bij de binnenplaat mag ook als kitvoeg worden uitgevoerd. Een andere mogelijkheid is compressieband of een kitzoom tussen de hout op hout aansluiting. De kopse kanten van het hout die aan het buitenklimaat worden blootgesteld afdichten, conform katern 44.

Vulhout tegen het kozijnhout bevestigen met draadnagels of nieten die een lengte van minimaal 2 x de dikte van het materiaal hebben (zie katern 37 en § 11.6.3). De hart-op-hart afstand voor schroeven en draadnagels is ≤ 300 mm en nieten ≤ 200 mm. Als hart-op-hart afstand voor schroeven en draadnagels ≤ 200 mm en voor nieten ≤ 150 mm aanhouden.

Het randvulhout op het kozijnhout dat aan hemelwater wordt blootgesteld bij langsaansluitingen waterdicht afwerken met dichtingsband of kit (zie katern 40). De randen moeten voor onderhoud bereikbaar blijven (zie tekeningen 16.01 t/m 16.03).

16.2.6 Isolatiemateriaal

Voor isolatiematerialen wordt verwezen naar katern 33.

16.2.7 Dampremmende folie en binnenbekleding

Dampremmende folie
Voor dampremmende folies wordt verwezen naar katern 41.

Binnenbekleding
Om weersinvloeden tijdens de bouwfase en bouwvocht te doorstaan moet de binnenbekleding vochtbestendig zijn. Als binnenbekleding kan MDF/HDF of triplex worden toegepast. De eisen voor MDF/HDF en triplex staan in katern 32.
De stootvastheid en sterkte van binnenbekleding vereisen een dikte van ≥ 10 mm.
De omkanten van de binnenbekleding afdichten conform katern 44. De kopse kanten, die volledig tegen weer en wind zijn beschermd, behoeven niet te worden afgedicht. Eisen voor de oppervlaktebescherming zijn opgenomen in katern 36.
Voor het bevestigen van de binnenbekleding rvs schroeven of nagels gebruiken. De hechtlengte voor schroeven dient ten minste 2 x de plaatdikte te zijn. Voor nagels geldt een minimale hechtlengte van ten minste 2,5 x de plaatdikte. De hart-op-hart afstand van deze bevestigingsmiddelen bedraagt ≤ 600 mm. Bij de omranding geldt een maximale hart-op-hart afstand van 150 mm en een randafstand van ≥ 10 mm en ≤ 25 mm.
Voor het aanbrengen van de binnenbekleding en dampremmende laag onderscheiden we 2 constructiemogelijkheden.

1. Binnenbekleding en dampremmende folie op het kozijn
Hierbij wordt de binnenbekleding en de dampremmende folie op de binnenzijde van het kozijn aangebracht.
Om een dampdichte aansluiting te creëren dient de binnenbekleding en dampremmende folie met een overlap van ≥ 20 mm op het kozijnhout te worden aangebracht. Zie tekeningen 16.01 en 16.02.

2. Binnenbekleding en dampremmende folie in de dag/sponning van het kozijn
Hierbij wordt de binnenbekleding en dampremmende folie in de dag/sponning aangebracht.
Voor een juiste dampdichte aansluiting kan één van de volgende twee oplossingen toegepast worden.

  • De ten minste 4 mm brede ruimte tussen de omkanten van binnenbekleding en kozijnhout dient in de timmerfabriek rondom afgedicht te worden met een dampdicht materiaal (comprimerende banden voor luchtdichting of kit conform katern 40);
  • Binnenplaat en dampremmende laag dienen met een overlap van ≥ 20 mm op het vulhout te worden aangebracht. De overlap van de dichting en de dampremmende laag dient ≥ 10 mm te zijn. De dichting dient nauwkeurig aan te sluiten tegen de achterkant van de dampremmende laag. Dit betekent dat de dichting met enige overmaat dient te worden aangebracht.

Zie tekeningen 16.03 t/m 16.06

Binnenbekleding en luchtdichting
De aansluiting van de binnenbekledingplaat op de regel/vulhoutconstructie moet altijd luchtdicht zijn. Zie tekeningen 16.03 t/m 16.06.

16.2.8 Bevestiging glas- en neuslatten opgebouwde vakvulling

Glas- en neuslatten moeten bevestigd worden zoals opgenomen in  katern 12.

Sommige materialen voor buitenbekledingen zoals b.v. kunststofplaten hebben een ongunstig uitzettingcoëfficiënt. Hier moeten door glas- en neuslatten geborgde beglazingsrubbers worden toegepast. Bij de glaslat voor de boven/tussendorpel voorzieningen aantreffen voor voldoende ventilatie openingen. Zie_§16.3.2 en de tekeningen 16.01 en 16.02.

KVT Index